Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.4.4
3.4.4 Beslechting van het belangenconflict tussen verkoper en bank
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS398543:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo reeds Van Lier 1892, p. 38-39. Vgl. ook Schoordijk 1959, p. 5.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
Zie daarover hiervoor in hoofdstuk 2, paragraaf 2.4.
Niettemin is het eigendomsvoorbehoud ook gebruikelijk in rechtsstelsels die geen vuistloze zekerheidsrechten kennen. Zie Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 453-454.
Zie o.m. Neuschäffer 1935, p. 3516, H. Lehmann, Reform der Kreditsicherung an Fahrnis und Forderungen, Stuttgart: Kohlhammer 1937, p. 6, W. Schwister, ‘Zur Reform der Sicherungsübereignung und des Eigentumsvorbehalts’, JW 1938, p. 1690, Lange 1950, p. 565, en Brinkman 2011, p. 141 e.v. en p. 200. Zie ook RG 15 maart 1935, RGZ 147, 321, p. 325: ‘Der Eigentumsvorbehalt bildet im heutigen Wirtschaftsleben bis zu einer anderweitigen gesetzlichen Regelung das kaum zu entbehrende Sicherungsmittel des Warengläubigers gegen das Überhandnehmen der Sicherungsübereignung, durch die sich der Geldkreditgeber, häufig zum Nachteile des Warenlieferers, vor den Folgen der wirtschaftlichen Leistungsunfähigkeit des Kreditnehmers zu schützen sucht.’ Vgl. ook Westermann 1954, p. 13 die § 933 BGB – de bepaling die bescherming van een derde te goeder trouw tegen beschikkingsonbevoegdheid bij een levering c.p. uitsluit – beschouwt als een een wettelijke voorkeursbehandeling van het eigendomsvoorbehoud ten koste van de zekerheidsoverdracht.
Vgl. E.-M. Kieninger, ‘Die Zukunft des deutschen und europäischen Mobiliarkreditsicherungsrechts’, AcP 2008, p. 216 en hierna uitvoerig in paragraaf 3.4.6. Zie ook Vriesendorp 1985b, p. 534: ‘Tot op het tijdstip van volledige bevrediging is er evenwel geen reden de (nog) onbetaalde leverancier achter te stellen ten voordele van de kredietverschaffer. Integendeel: door de levering wordt de verhaalsmogelijkheid voor de kredietverschaffer uitgebreid zonder enige prestatie zijnerzijds.’
HR 6 maart 1970, NJ 1970, 433 m.nt. Ph.A.N. Houwing (Van Wessem q.q./Traffic). Zie ook HR 7 maart 1975, NJ 1976, 91 m.nt. W.M. Kleijn (Van Gend en Loos), waarin werd overwogen ‘dat er ook aanleiding kan bestaan de zekerheidsoverdracht buiten beschouwing te laten voor zover zulks nodig is voor de erkenning van rechten waarop door derden aanspraak wordt gemaakt met betrekking tot bepaalde onder die overdracht vallende goederen; dat tot die derden moet worden gerekend de schuldeiser wiens vordering bevoorrecht is op een zekere en bepaalde zaak van de debiteur, als deze de zaak heeft verkregen dankzij de prestatie van de schuldeiser waarop diens vordering betrekking heeft.’
Naast de hiervoor genoemde neutraliteit als rechtvaardiging voor de voorrangspositie van de verkoper moet de toelaatbaarheid van het eigendomsvoorbehoud ook als een beslechting van het belangenconflict tussen de bank en de leverancier worden begrepen.1 Voor de wetgever speelde dit argument een belangrijke rol, aangezien de wetgever het niet gerechtvaardigd achtte dat de verkoper ‘als kredietgever achter [zou] moeten staan bij de geldkredietgever, die zich eerder op alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de koper een bezitloos pandrecht heeft bedongen.’2 Hoewel het argument niet overtuigend kan rechtvaardigen waarom het is toegestaan dat de verkoper eigenaar blijft,3 blijkt hieruit dat de wetgever met betrekking tot de verkochte zaak meer waarde hecht aan de belangen van de verkoper om zijn eigendom voor te behouden, dan aan het belang van de bank om zoveel mogelijk zekerheid te verkrijgen als tegenprestatie voor een verleend krediet.
Het verwondert niet dat de wetgever de rechtvaardiging van het eigendomsvoorbehoud deels toespitst op het belangenconflict tussen leverancier en bank.4 Zo wordt in Duitsland de gebruikelijkheid van het eigendomsvoorbehoud toegeschreven aan het feit dat in het begin van de twintigste eeuw de overdracht tot zekerheid van bestaande en toekomstige bedrijfsvoorraden gebruikelijk werd en om zich heen greep, waarop het eigendomsvoorbehoud als een reactie moet worden beschouwd.5 Aangezien in veel rechtsstelsels de mogelijkheid bestaat dat een schuldeiser bij voorbaat zekerheid bedingt op toekomstige goederen van de schuldenaar en een financierende bank dat ook dikwijls bedingt, zou het ontbreken van een eigendomsvoorbehoud (Én het invoeren van een verplichting voor de verkoper om de zaak reeds voor betaling over te dragen) niet zozeer tot gevolg hebben dat de overige schuldeisers van de koper daarvan zouden profiteren doordat hun verhaalsmogelijkheden toenemen, maar zou dit ertoe leiden dat de verkochte zaak voorwerp wordt van dit (generieke) zekerheidsrecht van de kredietverschaffende bank.
De beslechting van het conflict tussen de leverancier en de bank ten gunste van de leverancier is bovendien gerechtvaardigd omdat niet goed valt in te zien waarom de bank zou moeten profiteren van het feit dat de koper een zaak op kosten van de verkoper heeft kunnen verwerven.6 Een dergelijke gedachte ligt ook ten grondslag aan de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin deze de gevolgen van een zekerheidsoverdracht relativeerde. Een dergelijke relativering van de rechtsgevolgen van de zekerheidsoverdracht vond plaats ‘voor zover zulks nodig is voor de erkenning van rechten waarop door derden aanspraak wordt gemaakt met betrekking tot bepaalde onder die overdracht vallende zaken.’ Daarvan was in het bijzonder sprake indien de zekerheidsoverdracht botste met het voorrecht van de onbetaald gebleven verkoper (artikel 1185 sub 3 jo. artikel 1190 BW (oud)). In een dergelijk geval gingen de aanspraken van de verkoper voor, omdat ‘de door fiduciaire zekerheid beschermde geldschieter geen recht op de betreffende zaken zou hebben kunnen doen gelden, als zij niet door de verkoper waren geleverd.’7
Dat er een verband bestaat tussen de toelaatbaarheid van het eigendomsvoorbehoud en de daaruit voortvloeiende voorrangspositie van de verkoper en de mogelijkheid om bij voorbaat een zekerheidsrecht te vestigen op een door de schuldenaar nog te verwerven zaak, blijkt ook uit de ontwikkeling van het eigendomsvoorbehoud en de purchase money security interest in de Verenigde Staten.