Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.2.0
7.2.2.0 Introductie
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284680:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, m.nt. J. Hijma (Duwbak Linda). Zie verder HR 24 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485, m.nt. M.R. Mok (Pfizer/Cosmétique), HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW207, NJ 2008/527, m.nt. C.C. van Dam (DNB/Vie d’Or), HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491, m.nt. J.M.B. Vranken (AstraZeneca/Amicon), HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:BM6095, NJ 2011/465, m.nt. T. Hartlief (Hangmat) en HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, AB 2020/1, m.nt. C.N.J. Kortmann (Schietincident Alphen a/d Rijn).
Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 131.
Bijv. Van de Sande 2019a, p. 306; Zie ook Den Hollander 2016, p. 131. Vgl. Lankhorst 1992, p. 101-102 die spreekt van ‘type belangen, type personen en wijze van schadeintreding’. Het Duitse recht kent een vergelijkbare indeling. Het Duitse recht onderscheidt het Persönlischer Schutzbereich, Sachlicher Schutzbereich en het Modaler Schutzbereich. Zie daarover Kötz & Wagner 2016, nr. 230-243.
Lankhorst 1992, p. 93 en 103 e.v.; Den Hollander 2016, p. 109 e.v.
Zie Den Hollander 2016, p. 130-131.
Den Hollander 2016, p. 130. Vgl. Wiggers-Rust 2011, p. 24 en Schutgens 2012, p. 209. Bloembergen onderscheidde dit – door hem als ‘eigenlijke Schutznormbeginsel’ aangeduide – onderdeel van de relativiteitsleer volgens mij eerder dan Lankhorst al als de vraag of uit de geschonden norm kan worden afgeleid dat het rechtsgevolg ‘onrechtmatige daad’ volgt bij schending ervan: Bloembergen 1965, p. 169-170.
Zie ook Den Hollander 2016, p. 131. Zie hierover kritisch A-G Hartlief in zijn conclusie voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3231, JAR 2018/36 (UWV/Belfor). Hij gaat met name in op de consequentie die Den Hollander aan het onderscheid tussen beschermingsdoel en beschermingsomvang verbindt. Volgens Den Hollander moet in het kader van het beschermingsdoel op grond van positieve aanwijzingen in de wet of wetsgeschiedenis worden vastgesteld dat de schade zich binnen dat doel bevindt. Daarna mag de rechter in het kader van de vaststelling van de beschermingsomvang gebruik maken van alle rechtsvindingsmethoden. Zie Den Hollander 2016, p. 142 en 160. Volgens Hartlief beperkt die benadering te veel, omdat de relativiteit zo te zeer afhankelijk gemaakt wordt van de uitlatingen in het stadium van de wetgeving: Zie zijn conclusie onder 3.19.
Zie annotatie J. Hijma onder HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281 (Duwbak Linda) onder 4 en Van de Sande 2019a, p. 320-321.
Overigens wordt in de literatuur soms ook nog onderscheid gemaakt tussen de relatieve onrechtmatigheid en het Schutznorm-vereiste. Het eerste aspect zou besloten liggen in het ‘jegens’-vereiste van art. 6:162 BW. Het Schutznorm-vereiste zou besloten liggen in de eis van relativiteit ex art. 6:163 BW. Het zou daarbij om verschillende aspecten van de relativiteitsleer gaan. Door de relativiteit niet reeds in art. 6:162 BW te verdisconteren, blijft het handelen in strijd met een bepaalde norm zonder meer onrechtmatig. De relativiteitsvraag staat daar los van. Dat is vanuit wetssystematisch oogpunt wat fraaier. De discussie is echter, zeker in het licht van de formulering van de Hoge Raad, in mijn optiek enigszins theoretisch, omdat men uiteindelijk toch steeds de vraag zal moeten beantwoorden of de geleden schade al dan niet valt onder het beschermingsbereik van de geschonden norm. Of art. 6:162 BW of 6:163 BW (of allebei) dat vereist is wat mij betreft niet van groot gewicht. Den Hollander bespreekt de verschillende opvattingen in de literatuur daaromtrent en wijst er wat mij betreft terecht op dat dit onderscheid afleidt van de hoofdzaak: zie Den Hollander 2016, p. 29-52.
Van der Wiel 2004, p. 35 spreekt ook van ‘een kwestie van indelen’. Vgl. Lindenbergh 2007b, p. 779 die er eveneens op wijst dat de verschillende elementen niet steeds even duidelijk zijn te onderscheiden en elkaar soms overlappen.
HR 24 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485, m.nt. M.R. Mok (Pfizer/Cosmétique).
HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491, m.nt. J.M.B. Vranken (AstraZeneca/Amicon).
408. Sinds het Duwbak Linda-arrest1 houdt het relativiteitsvereiste volgens Hoge Raad het volgende in:
“Bij beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in art. 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.”
De Hoge Raad hanteert aldus het hiervoor al aangestipte drieledige criterium. Het relativiteitsvereiste vereist dat de norm strekt tot bescherming (i) van de persoon die de schade heeft geleden, (ii) tegen de door die persoon geleden schade en (iii) tegen de wijze waarop die schade is ontstaan:2 de persoonlijke, zakelijke en ontstaansrelativiteit.3
409. In de literatuur wordt ook wel gewerkt met het door Lankhorst geïntroduceerde begrippenpaar ‘beschermingsdoel’ en ‘beschermingsomvang’ van de norm.4 Het beschermingsdoel ziet op de vraag of de norm als zodanig – geabstraheerd van het concrete geval – het belang wil beschermen dat is geschaad. Het vereist dat de door het individu geleden schade ‘in de sfeer’ van het doel van de norm ligt en de norm ook voor ogen heeft dat type individuele belang – naast het algemenere belang van de norm – te beschermen.5 Het moet daarbij gaan om de belangen die aan dat individu met uitsluiting van anderen toekomen.6 De beschermingsomvang ziet vervolgens op de hiervoor reeds opgesomde drie door de Hoge Raad onderscheiden criteria: de persoonlijke, zakelijke en ontstaansrelativiteit.7
410. In de literatuur wordt soms nog een onderscheid gemaakt tussen het doel van de regeling en de strekking ervan. Het doel zou zien op het historische, primaire, oogmerk van de uitvaardiging van de norm. De strekking zou in deze benadering verwijzen naar de interpretatie van de norm en zodoende naar al hetgeen bij de wetsuitleg een rol kan spelen.8
411. De Hoge Raad maakt in het door hem ontwikkelde criterium geen expliciet onderscheid tussen beschermingsdoel en beschermingsomvang. Evenmin lijkt de Hoge Raad een inhoudelijk onderscheid aan te houden tussen doel en strekking van de norm. De Hoge Raad noemt beide begrippen in één adem als houvast ter bepaling van de drie relativiteitscriteria.9 Het door de literatuur gemaakte onderscheid lijkt ook wat arbitrair, omdat in het kader van de uitleg van de norm, volgens die opvatting de strekking, ook het algemene doel van de regeling een rol speelt. Doel en strekking vloeien dus volgens mij ook in die benadering ineen. Alle relevante vragen komen daarom uiteindelijk in alle onderscheiden benaderingen wel aan bod. Dat de Hoge Raad het onderscheid tussen beschermingsdoel en beschermingsomvang en tussen doel en strekking niet strikt maakt is daarom volgens mij begrijpelijk. Het lijkt meer een kwestie van een andere indeling van de verschillende relevante vragen dan van een fundamenteel andere benadering van de materie.10
412. De Hoge Raad vat de relativiteit verder – anders dan de wetgever voor ogen had (zie §7.2.1) – op als een positief criterium. Dit volgt allereerst uit de hiervoor geciteerde passage uit Duwbak Linda. De Hoge Raad spreekt van ‘het vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.’ In de zaken Pfizer/Cosmétique11 en AstraZeneca/Amicon12 oordeelt de Hoge Raad bovendien dat onjuist is de opvatting dat een norm in beginsel strekt tot bescherming van allen die als gevolg van de overtreding daarvan schade kunnen lijden en de schade die binnen de grenzen van art. 6:98 BW als een gevolg van de overtreding kan worden toegerekend aan de onrechtmatige daad. Volgens de Hoge Raad moet dus steeds nagegaan worden of de geschonden norm strekt tot bescherming van de gelaedeerde en tegen de schade zoals die is geleden. Eerst dan komt de geleden schade voor vergoeding in aanmerking.