Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.3.4.5.0
II.3.4.5.0 Splitsbaarheid van wettelijke voorschriften
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS584904:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 december 1913, W. 9495 (Huis ter Duin); HR 7 februari 1950, NJ 1950, 176 (Hondenbelasting Papendrecht).
Bijv. Rb. ’s-Gravenhage 25 januari 2006, NJF 2006, 142, r.o. 3.14.
Bijv. ARRvS 7 mei 1982, AB 1982, 582, m.nt. C.L.R. (Antenneverbod Eefde).
Het gebruik van die term wil niet altijd zeggen, dat de onrechtmatigheid niet in de tekst van het voorschrift tot uitdrukking komt. De rechter kan die formulering ook gebruiken om een deel van het voorschrift te omschrijven in plaats van het te citeren. Zie bijv. CRvB 2 maart 2007, USZ 2007, 92, m.nt. B. Barentsen en CRvB 16 september 2009, LJN BJ9330, r.o. 4.8.
Bijv. HR 7 oktober 1998, BNB 1998, 384 (Leidse reclamebelasting), r.o. 5.1: ‘de Verordening [is] onverbindend [...] voor zover zij, door het heffingsobject als ‘voorwerp met opschrift’ te omschrijven, heffing over iets anders, meer dan een opschrift toelaat.’ Zie reeds HR 31 maart 1953, NJ 1953, 532, m.nt. B.V.A.R. (Sneek II). Daarover G. van den Bergh 1953, p. 595-597 en G. van den Bergh 1954, p. 5-10 en 29-36. Als het lastig is de categorie van gevallen te omschrijven, leidt dit soort onverbindendverklaringen echter tot veel onduidelijkheid. Zie bijv. CBb 11 mei 1994, AB 1994, 517, m.nt. JHvdV (Rooipremie Appelbomen).
Van der Burg 1983, p. 23.
Art. 220g Gemw (oud).
De heffingsmaatstaf mocht maximaal fl. 6,6375 bedragen. De raad had dit bedrag rekenkundig afgerond op fl. 6,64.
Hij week daarmee af van eerdere jurisprudentie, waarin hij – net als het Hof had gedaan – in zulke gevallen de gehele verordening onverbindend verklaarde. Zie HR 8 september 1993, BNB 1994, 245, m.nt. E. Aardema (OZB-verordening Gouda). Vgl. HR 8 juli 1997, BNB 1997, 291, m.nt. Van Leijenhorst (Bouwgrondbelasting Ermelo).
HR 1 maart 2002, BNB 2004, 144, m.nt. W.J.N.M. Snoijink (OZB-verordening Harderwijk).
Naar Nederlands recht zijn wettelijke voorschriften in beginsel splitsbaar. De rechter splitst wettelijke voorschriften in een rechtmatig en een onrechtmatig deel, zoals een bepaling1 of woorden daarvan,2 of splitst van een rechtmatig voorschrift een onrechtmatige toepassing af.3 Als de toepassing van een wettelijk voorschrift in een categorie van gevallen onrechtmatig is, dan kiest hij er soms voor het voorschrift onverbindend te verklaren ‘voor zover’4 het die categorie betreft.5
Tegen de praktijk, dat wettelijke voorschriften in beginsel kunnen worden gesplitst, zijn in de literatuur een aantal bezwaren aangevoerd.
Zo meent Van der Burg, dat het afsplitsen van onrechtmatige toepassingen van een strafbepaling in strijd is met artikel 1, eerste lid, WvSr, dat zegt, dat gedragingen slechts strafbaar kunnen worden gesteld krachtens een ‘wettelijke strafbepaling’. Hij schrijft:
‘Die wettelijke bepaling zou kunnen zijn het overgebleven gedeelte van een gedeeltelijk onverbindende strafbepaling, maar er moet een norm zijn, een abstracte formulering. [...] Zou de rechter zeggen: ik laat daar of de [...] bepaling overigens verbindend of onverbindend is, maar de strafbaarheid in dit concrete geval is niet in strijd met enige hogere regeling, dan zou hij tekort doen aan art. 1 Wetboek van Strafrecht. De strafbaarheid zou dan niet op een wettelijke strafbepaling berusten, maar op een door de rechter geconstrueerd besluit voor één bepaald geval.’6
Zijn uitleg van artikel 1 WvSr is geen positief recht. De rechter heeft hem niet aanvaard. Twee zaken kunnen dat verklaren. Zie ik het goed, dan heeft Van der Burg voorschriften op het oog die enkele of zelfs maar één rechtmatige toepassing hebben. Allereerst komen zulke voorschriften feitelijk niet voor. Als zij wel voor zouden komen, verwordt zo’n voorschrift daarmee echter nog niet tot een besluit dat niet ‘abstract’ is geformuleerd. Artikel 1 WvSr vereist immers niet alleen een wettelijke strafbepaling, maar ook, dat die strafbaarstelling voorafgaat aan de verboden gedraging. Omdat de strafbaarstelling vooraf geschiedt, is zij altijd abstract.
Een ander argument tegen het beginsel van splitsbaarheid noemt Snoijink. Hij acht splitsing soms in strijd met de machtenscheiding. Het arrest OZB-verordening Harderwijkis daarvan een voorbeeld. Vóór 2008 maximeerde de Gemeentewet de hoogte van de door de gemeente te heffen onroerendzaakbelasting: de eigena-renheffing mocht ten hoogste honderdvijfentwintig procent bedragen van de gebruikersheffing.7 De OZB-verordening van de gemeente Harderwijk overschreed die grens met enkele honderdsten van procenten.8 Het Hof verklaarde de gehele verordening daarom onverbindend. De Hoge Raad vernietigt dat arrest en verklaart de verordening slechts onverbindend voor zover de eigenarenheffing de wettelijke norm overschrijdt.9 Snoijink schrijft over dat arrest:
‘de rechter [eigent] zich met tariefverlaging, net als met tariefverhoging, een bevoegdheid toe [...] die de wetgever uitsluitend heeft toegekend aan het orgaan dat tot regelgeving op het gemeentelijke vlak gelegitimeerd is: de raad.’10