Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.1.3
6.3.3.1.3 De arresten Degano Trasporti en Marco Identi
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494244:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uitgebreide bespreking en de aanloop naar het verzoek om een prejudiciële beslissing verwijs ik naar mijn bijdrage in het Tijdschrift voor Insolventierecht (Heijnen 2015).
Deze bepaling luidt: “Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.”
Art. 2 en 22 Zesde richtlijn (thans: art. 2, 206 en 250 Btw-richtlijn). Vermeldenswaard is dat in de Marco Identi zaak ook de houdbaarheid van de procedure in het licht van de staatssteunleer centraal stond. Ik laat dit onbesproken, anders dan de opmerking dat het HvJ oordeelde dat geen sprake was van staatssteun. Zie HvJ 16 maart 2017, nr. C-493/15, V-N 2017/17.17 (Marco Identi), r.o. 25-29.
HvJ 7 april 2016, nr. C-546/14, V-N 2016/22.14 (Degano Trasporti), r.o. 19-22 en HvJ 16 maart 2017, nr. C-493/15, V-N 2017/17.17 (Marco Identi), r.o. 17-19. Zie ook HvJ 17 juli 2008, nr. C-132/06, V-N 2008/39.15 (Commissie/Italië), r.o. 37-39.
Dit komt overeen met mijn eerder uitgesproken hoop en verwachting over de loop van de Degano Trasporti-procedure (Heijnen 2017, paragraaf 7).
HvJ 7 april 2016, nr. C-546/14, V-N 2016/22.14 (Degano Trasporti), r.o. 25-28.
HvJ 16 maart 2017, nr. C-493/15, V-N 2017/17.17 (Marco Identi), r.o. 21-24.
Heijnen 2015, paragraaf 7.
De vraag of de btw-vordering van de Belastingdienst steeds integraal moet worden voldaan was onderwerp in twee Italiaanse zaken die hij het HvJ hebben gediend: HvJ Degano Trasporti en Marco Identi. Hoewel het feitencomplex in beide zaken net iets anders lag, was de wezenlijke rechtsvraag gelijk. Wat betreft de feiten dient te worden uitgegaan van het volgende. In het Degano Trasporti-arrest1 betrof het een in financiële moeilijkheden verkerende ondernemer, die aan zijn schuldeisers een akkoord aanbood dat voorzag in de integrale betaling van enkele bevoorrechte schuldeisers en een gedeeltelijke betaling aan de overige concurrente en preferente crediteuren, waaronder de Belastingdienst. De vordering van de Belastingdienst bestond grotendeels uit btw. In de zaak Marco Identi ging het om het persoonlijk faillissement van de naamgever van het arrest, waarin de rechter een ‘kwijtschelding van schulden’ had toegekend. Het doorlopen van deze procedure stelde natuurlijk personen in staat om ‘met een schone lei’, zonder schuldenlast, verder te gaan en hield in dat bij wet genoemde restschulden, behoudens enkele uitzonderingen, werden kwijtgescholden. In beide procedures werd door de Italiaanse rechter de vraag het aan HvJ voorgelegd of het Unierecht zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan btw-schulden in het kader van een insolventieprocedure slechts gedeeltelijk aan de Belastingdienst worden voldaan. Hierbij wordt verwezen naar art. 4 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie2 inzake de nakoming van Unierechtelijke verplichtingen en de btw-aangifte- en voldoeningsverplichting uit de Btw-richtlijn.3 In antwoord op de vraag neemt het HvJ in beide zaken tot uitgangspunt dat op lidstaten de verplichting rust alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd. Hoewel lidstaten ten aanzien van de wijze waarop dit doel kan worden bereikt beschikken over een zekere bewegingsvrijheid, wordt deze volgens het HvJ echter beperkt door de verplichting om de doeltreffende inning van de eigen middelen van de EU te waarborgen en geen verschillen in de behandeling van belastingplichtigen in het leven te roepen. Het HvJ bevestigt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de inning van btw en de afdracht van de eigen middelen en dat het niet-innen van btw mogelijk tot een verlaging van de eigen middelen (zie hiervoor) leidt.4 Toch hoeft dit volgens het HvJ niet te betekenen dat een procedure voor een (preventief) akkoord of de kwijtschelding van schulden in strijd is met het Unierecht. Volgens het HvJ is dit afhankelijk van de toepassingsvoorwaarden van de betreffende procedures.5
In het Degano Trasporti-arrest komt het HvJ tot de conclusie dat het Unierecht niet aan de Italiaanse procedure voor het (preventief) akkoord in de weg staat. Hierbij hecht het HvJ waarde aan het feit dat de procedure is onderworpen aan strikte toepassingsvoorwaarden, waaronder het vereiste dat het vermogen van de debiteur volledig wordt vereffend (en er dus niets ‘achterblijft’), een onafhankelijke derde moet vaststellen dat in een (eventueel) faillissement geen groter deel van de btw-schuld aan de Belastingdienst ten dele zou vallen dan het geval onder het akkoord, dat door alle schuldeisers (waaronder de Belastingdienst) over het akkoord moet worden gestemd en goedkeuring behoeft van de meerderheid van de schuldeisers en dat het akkoord door een rechter moet worden gehomologeerd.6 In het Marco Identi-arrest komt het HvJ tot eenzelfde oordeel, namelijk dat de kwijtscheldingsprocedure niet in strijd is met het Unierecht, omdat deze is onderworpen aan strikte toepassingsvoorwaarden die garanties bieden voor het innen van de btw-vorderingen en niet in het algemeen en zonder onderscheid afziet van inning van de btw. Als relevante voorwaarden verwijst het HvJ onder meer naar de voorwaarde dat het volledige vermogen van de schuldenaar moet zijn vereffend, alle schuldeisers ten minste deels moeten zijn voldaan, de natuurlijk persoon een bepaald gedrag moet hebben vertoond voorafgaand aan de kwijtscheldingsprocedure (verband houdende met rechtschapenheid, loyaliteit en de goede trouw) en de procedure is onderworpen aan een rechterlijke toetsing.7
De vraag resteert of de Nederlandse akkoordprocedure EU-proof is. Zoals al eerder betoogd8 zou ik menen van wel. In het Nederlandse kwijtscheldingsregime vormt het vereiste dat de Belastingdienst pas medewerking aan een akkoord mag verlenen, indien het te ontvangen deel van de btw-schuld van ten minste dezelfde omvang is als kan worden verkregen door middel van executiemaatregelen, een belangrijk ingrediënt om te kunnen waarborgen dat de inning van de eigen middelen doeltreffend geschiedt. Ook het vereiste dat het door de Belastingdienst te ontvangen deel steeds ten minste het dubbele percentage moet omvatten van de (procentuele) uitkering aan concurrente crediteuren en kwijtschelding alleen plaatsvindt bij een akkoord met alle schuldeisers vormen relevante voorwaarden. Daarnaast kent het Nederlandse kwijtscheldingsregime in gevallen van faillissement een toetsing door de rechter. De voorwaarde dat ná het akkoord reële vooruitzichten aanwezig moeten zijn voor de voortzetting van de onderneming vormt een belangrijke voorwaarde, aangezien dit vereiste bovendien impliceert dat de Belastingdienst de ‘schade’ (zijnde de kwijtschelding bij het akkoord) later, gedurende de voortzetting van de onderneming kan inhalen door btw te blijven innen. Het vasthouden aan een integrale voldoening van de btw-schuld zou daarmee op termijn nadeliger zijn. Ook de insolventierechtpraktijk zou nadelig worden getroffen als de btw-schuld steeds volledig zou moeten worden voldaan, aangezien dit vereiste vaak aan de totstandkoming van een akkoord in de weg zal staan en vaak niets anders zal resten dan het aanvragen van het faillissement en het geheel vereffenen van de boedel.