Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/2.2
2.2 Aspecten van het douanerecht
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362976:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 5, onderdeel 20 en 21, van het DWU; zie ook: Artikel 7:3 van de ADW: “Onder de naam ‘rechten bij invoer’ en ‘rechten bij uitvoer’ worden belastingen geheven ter zake van de invoer respectievelijk de uitvoer van goederen overeenkomstig hetgeen dienaangaande is bepaald bij of krachtens het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties.”
Vliet, van, 2019, onder 1.2.3, 1.4.3.2 en 1.4.3.3: Een groot deel van het douanerecht is in 1992 geharmoniseerd op het niveau van de Europese Gemeenschap en de Europese Unie en neergelegd in Europese verordeningen. Eerst met verordening (EEG) 2913/92 (Communautair douanewetboek) en verordening (EEG) 2454/93 (TCDW).
Het CDW is middels een aantal verordeningen vervangen door het Douanewetboek van de Unie (DWU): Verordening.(EU) 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, in de gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie, de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie en gedelegeerde verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446.
Vliet, van, 2019, onder 1.2.3, 1.4.3.2 en 1.4.3.3.
Artikel 7:6 van de ADW.
Vliet van, 2019, onder 2.1.2: De lidstaten mogen 25% van de opbrengst te eigen bate achterhouden.
Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie.
Artikel 5, onderdeel 39, van het DWU.
Vliet, van, 2019, onder 3.5.1; zie ook: HvJ 13 maart 2014, zaak C-29/13, (Global Trans Lodzhistik), punten 26 e.v.
Artikel 1:18, eerste lid, van de ADW.
Vliet, van, 2019, onder 3.6.
Zie bijvoorbeeld de artikelen 22 en 29 van het DWU.
Artikelen 22 en 29 van het DWU.
Zoals in de inleiding al is aangekondigd, wordt afzonderlijk aandacht besteed aan een aantal aspecten van het douanerecht. Veel jurisprudentie met betrekking tot het kenbaarmakingsbeginsel ziet op het douanerecht. Om deze jurisprudentie juist te kunnen interpreteren is kennis van het douanerecht nodig en van de overeenkomsten en verschillen met het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht.
Het douanerecht betreft het geheel van rechtsregels die verband houden met grensoverschrijdend goederenverkeer. Het fiscale douanerecht betreft de heffing van belastingen bij invoer en uitvoer van goederen.1 Deze belastingen worden ook douanerechten genoemd of meer in het bijzonder invoerrechten en uitvoerrechten. Vanaf 1 januari 1994 is het douanerecht grotendeels geharmoniseerd met de inwerkingtreding van het uniforme douanewetboek van de Gemeenschap, het CDW.2 Met de invoering van het CDW is de douanewetgeving hoofdzakelijk Unierechtelijk geregeld. Met ingang van 1 mei 2016 is het CDW vervangen door het douanewetboek van de Unie, het DWU.3 Aangezien verordeningen rechtstreekse werking hebben, mogen de lidstaten in hun nationale douanewetgeving nog slechts dat regelen wat niet of niet uitputtend door het Unierecht wordt geregeld.4 Bepaalde onderdelen van het douanerecht mogen de lidstaten nog wel nationaal regelen, bijvoorbeeld bepalingen met het oog op handhaving, waaronder bepalingen betreffende bestuurlijke boeten, termijnen en de wijze van heffing. In Nederland zijn die bepalingen neergelegd in de algemene douanewet (ADW). De wijze van heffing van douanerechten lijkt op de wijze van heffing van de inkomstenbelasting. Ook al is de regelgeving van het douanerecht grotendeels een zaak van het Unierecht, douanerechten zijn eigen belastingen van de lidstaten. De mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar geschiedt door het toezenden van een op een aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling.5 Het aanslagbiljet wordt voorzien van een dagtekening die geldt als dagtekening van de vaststelling van de uitnodiging tot betaling. De inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van het daaruit blijkende bedrag aan rechten aan de ontvanger ter hand. De lidstaten moeten de opbrengst van deze belastingen vervolgens wel hoofdzakelijk afdragen aan de Unie.6 In artikel 8:2 van de ADW is bepaald dat (met uitzondering van enkele bepalingen) de bepalingen van bezwaar en beroep uit de AWR van overeenkomstige toepassing zijn. Voor het heffen van antidumpingrechten wordt de methodiek van de heffing en invordering van invoerrechten gevolgd. Bij verordening kunnen antidumpingrechten worden ingesteld als wordt geconstateerd dat de prijs van een product bij uitvoer naar de Europese Unie lager is dan de normale waarde van een soortgelijk product in het land van oorsprong en er schade dreigt voor een bedrijfstak in de Europese Unie.7
Het DWU geeft geen definitie van besluit, maar definieert wel de term douanebeschikking. Een douanebeschikking is elke beslissing, die verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft.8 Uit de definitie van douanebeschikking blijkt dat het daarbij niet uitmaakt of de beslissing mondeling of schriftelijk wordt genomen.9 Hiermee is het Unierechtelijke begrip ‘douanebeschikking’ in het DWU ruimer dan het begrip ‘beschikking’, zoals dat is neergelegd in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Voor douanezaken komt dit ruimere begrip tot uitdrukking in de ADW. Beschikkingen in de zin van het DWU worden daarin gelijkgesteld met beschikkingen als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb.10 Tegen alle douanebeschikkingen kan daardoor bezwaar worden gemaakt bij de douaneautoriteiten en vervolgens, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie worden ingesteld.11
Het DWU onderscheidt beschikkingen die ambtshalve (niet op aanvraag) worden gegeven en beschikkingen naar aanleiding van aanvragen.12 Ook maakt het DWU onderscheid tussen gunstige beschikkingen (bijvoorbeeld het geven van een gewenste vergunning/tariefcontingent) of ongunstige beschikkingen (bijvoorbeeld het ten nadele van de aanvrager afwijzen van een aanvraag).13 Bij een ongunstige beschikking (ook wel bezwarende beschikking genoemd) regelt het DWU dat de douaneautoriteiten extra formele voorwaarden in acht moeten nemen, waaronder het kenbaarmakingsbeginsel.14
In de volgende paragrafen worden de ambtshalve beschikkingen, de beschikkingen op aanvraag en de fiscale bestuurlijke sancties in het douanerecht besproken en verschillen met het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht belicht. Daarna wordt aandacht besteed aan de vervolgprocedure vanaf het moment dat een douanebeschikking is genomen.
2.2.1 Ambtshalve beschikkingen2.2.2 Beschikkingen op verzoek/op aanvraag2.2.3 Bestuurlijke sancties in het douanerecht2.2.4 Het instellen van beroep in het douanerecht