Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.10:6.10 De rechtshandeling ‘krachtens welke’ wordt verkregen
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.10
6.10 De rechtshandeling ‘krachtens welke’ wordt verkregen
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS349201:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van het wettelijke verdelingsbegrip van art. 3:182 BW gaat een absorberende werking uit. Niet alleen wordt de verdeling in strikte zin als verdeling aangemerkt, maar ‘iedere rechtshandeling’ waaraan alle deelgenoten medewerken en ‘krachtens welke’ het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg wordt bereikt. De consequenties van deze inrichting van het wettelijke verdelingsbegrip zullen worden bezien aan de hand van de volgende casus.
Casus
A, B en C zijn gerechtigd tot een gemeenschap, ieder voor een derde gedeelte. Bij onderlinge afspraak treedt A uit de gemeenschap tegen geldelijke vergoeding van de waarde van zijn gerechtigdheid. B en C worden na levering ieder voor de onverdeelde helft gerechtigd tot de goederen van de gemeenschap.
Bij toetsing aan het verdelingsbegrip en de daarin vervatte eisen voor medewerking en rechtsgevolg moet voor het geval de deelgenoten een verdeling in strikte zin zijn overeengekomen worden uitgegaan van het volgende. Alle deelgenoten werken mee aan een rechtshandeling krachtens welke een of meer van hen (B en C) een of meer goederen der gemeenschap (in casu alle goederen) met uitsluiting van de overige deelgenoten (A) verkrijgen. Ervan uitgaande dat krachtens verdeling gehele goederen worden verkregen, kan worden aangenomen dat aan het door de wet voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg wordt voldaan nu aan twee van de drie deelgenoten de gemeenschapsgoederen worden toegedeeld, ieder voor de onverdeelde helft. Wel dient voor de verkrijging van de goederen voor de bedoelde delen een levering plaats te vinden overeenkomstig het wettelijke leveringsvereiste.
Stel nu dat in afwijking van het bovenstaande de deelgenoten niet krachtens een verdeling in strikte zin maar krachtens koop beogen de nieuwe rechtstoestand te bereiken. Kan ook in een dergelijke situatie worden aangenomen dat er sprake is van verdeling?
Uitgaande van de rechtshandeling van koop is in deze casus niet sprake van één rechtshandeling maar van twee rechtshandelingen: de koop AB en de koop AC. Bij toetsing aan het verdelingsbegrip kwalificeert geen van de rechtshandelingen afzonderlijk als verdeling; voor geen van beide rechtshandelingen geldt dat alle deelgenoten daaraan medewerken. Evenmin is er sprake van het krachtens elk van deze rechtshandelingen bereiken van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg. Heeft het feit dat de beide overeenkomsten van koop afzonderlijk geen verdeling opleveren daarmee tevens tot gevolg dat niet tot een verdeling kan worden geconcludeerd?
Het gegeven dat de deelgenoten niet uitdrukkelijk een verdeling in strikte zin zijn overeengekomen maar twee rechtshandelingen die afzonderlijk niet als verdeling kunnen kwalificeren, kan niet afdoen aan de opvatting dat zich in materiële zin een aan verdeling gelijk te stellen situatie voordoet. Dit resultaat kan echter alleen worden bereikt indien kan worden aangenomen dat eveneens tot een rechtshandeling van verdeling kan worden geconcludeerd zonder dat partijen een rechtshandeling zijn aangegaan die als zodanig als verdeling kwalificeert (hetzij een verdeling in strikte zin dan wel een rechtshandeling die een-op-een als verdeling is aan te merken), maar er sprake is van zodanig met elkaar samenhangende rechtshandelingen dat daarmee aan de materiële vereisten van het wettelijke verdelingsbegrip wordt voldaan.
Op grond van de maatstaf voor verdeling moet worden aangenomen dat als kenmerk voor (een verkrijging krachtens) verdeling geldt het optreden van een verminderde mate van onverdeeldheid. Deze verminderde mate van onverdeeldheid dient op te treden ten gevolge van de vermindering van het aantal tot ten minste een goed van de gemeenschap gerechtigde deelgenoten krachtens een daartoe strekkend handelen tussen deelgenoten waaraan alle deelgenoten medewerken. Indien deze maatstaf wordt toegepast op de hier behandelde casus dan kan niettemin – ondanks dat de rechtshandelingen van koop niet afzonderlijk als verdeling kwalificeren – tot verdeling worden geconcludeerd. Vereist is daarbij dat de betrokken deelgenoten de rechtshandelingen van koop zijn overeengekomen in het kader van de vermindering van de mate van onverdeeldheid en dat hun (aller) instemming met de rechtshandelingen daarop gericht is geweest. Zou dit laatste niet het geval zijn dan is er sprake van een dubbele koop en geen sprake van verdeling.
Het bovenstaande heeft tot consequentie dat bij de uitleg van het begrip ‘rechtshandeling’ zoals bedoeld in de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip ervan moet worden uitgegaan dat een dergelijke rechtshandeling zich kan voordoen in de volgende gevallen:
er is sprake van een rechtshandeling van verdeling die door de deelgenoten als zodanig is overeengekomen (verdeling in strikte zin);
er is sprake van een door de deelgenoten overeengekomen rechtshandeling anders dan verdeling in strikte zin, welke rechtshandeling door de wet als verdeling wordt aangemerkt;
er is sprake van een samenstel van rechtshandelingen, tot stand gekomen in het kader van de vermindering van de mate van onverdeeldheid, welke rechtshandelingen in samenhang bezien als één rechtshandeling van verdeling kunnen worden aangemerkt.
Met deze vaststelling van de reikwijdte van het begrip ‘rechtshandeling’ als bedoeld in het verdelingsbegrip, zal nu de reikwijdte van het voor verdeling geldende verkrijgingsbegrip worden bepaald.