Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.11:6.11 Reikwijdte van verkrijgen in het kader van verdeling
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.11
6.11 Reikwijdte van verkrijgen in het kader van verdeling
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS349202:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hierboven is geconstateerd dat voor de totstandkoming van een juridische verdeling met twee soorten verkrijgingen rekening gehouden dient te worden. De eerste soort verkrijging is neergelegd in de eerste volzin van art. 3:182 BW en heeft betrekking op de daar bedoelde verkrijging van goederen van de gemeenschap. De tweede soort verkrijging betreft het in de jurisprudentie ontwikkelde vereiste dat pas tot juridische verdeling kan worden geconcludeerd indien overeenstemming bestaat over de financiële consequenties (gelijkmaking met niet-gemeenschappelijke contanten) wegens een niet-evenredige verdeling in feitelijke zin.
Ik ga nu nader in op de eerstbedoelde verkrijging. De vraag kan worden gesteld welke criteria een rol spelen bij de bepaling van de reikwijdte van het in art. 3:182 BW opgenomen verkrijgingsbegrip. Ik zal deze vraag trachten te beantwoorden aan de hand van de volgende casus.
Casus
A, B en C zijn gerechtigd tot een gemeenschap, ieder voor een derde gedeelte. Bij onderlinge afspraak worden een of meer deelgenoten uitgeboedeld tegen geldelijke vergoeding van de waarde van hun gerechtigdheid. We onderscheiden de volgende situaties:
A, B en C komen overeen dat na effectuering van de overeenkomst C voor het geheel gerechtigd zal zijn tot de gemeenschapsgoederen.
A, B en C komen overeen dat na effectuering van de overeenkomst B en C ieder voor de helft gerechtigd zullen zijn tot de gemeenschapsgoederen.
A, B en C komen overeen dat na effectuering van de overeenkomst B voor twee derde gedeelte en C voor een derde gedeelte tot de gemeenschapsgoederen gerechtigd zullen zijn.
A, B en C komen overeen dat na effectuering van de overeenkomst B voor vijf zesde gedeelte en C voor een zesde gedeelte tot de gemeenschapsgoederen gerechtigd zullen zijn.
Uitgaande van de maatstaf voor verdeling en het voor verkrijging krachtens verdeling geldende verkrijgingsbegrip moet worden aangenomen dat de afspraak tussen de deelgenoten in de situaties onder 1, 2 en 3 het karakter draagt van een verdeling. Alle deelgenoten werken immers mee aan de voor verkrijging krachtens verdeling kenmerkende verminderde mate van onverdeeldheid doordat een of meer van hen een of meer goederen van de gemeenschap ‘verkrijgen’ met uitsluiting van de overige deelgenoten.1 Daarnaast zal na levering het voor verdeling vereiste rechtsgevolg optreden ‘krachtens’ de tussen deelgenoten gemaakte afspraak, hetgeen op grond van het verdelingsbegrip wordt vereist.2
In de situatie onder 4 ligt dit anders. Aan de voor verkrijging krachtens verdeling vereiste verminderde mate van onverdeeldheid lijkt te worden voldaan nu A ophoudt tot de gemeenschap gerechtigd te zijn en B en C als deelgenoten overblijven. Nu B en C als deelgenoten overblijven kan worden gesteld dat zij ‘verkrijgen’ op de wijze zoals bedoeld in het wettelijke verdelingsbegrip. In het wettelijke verdelingsbegrip dient het begrip ‘verkrijgen’ immers in die zin te worden uitgelegd dat krachtens verdeling eveneens wordt verkregen hetgeen waartoe men voorafgaand aan de verdeling en levering reeds gerechtigd is.3 De vraag kan echter worden gesteld of krachtens verdeling iedere denkbare wijziging in de gerechtigdheid van de overblijvende deelgenoten kan worden bewerkt ongeacht de grootte van de gerechtigdheid van de uittredende deelgenoot. Ik meen dat deze vraag in ontkennende zin beantwoord moet worden. Aangezien enkel de rechtshandeling krachtens welke een uittredende deelgenoot ophoudt deelgenoot te zijn als verdeling kan worden aangemerkt, dient mijns inziens te worden aangenomen dat er een causaal verband bestaat tussen de grootte van de gerechtigdheid tot de gemeenschapsgoederen van degene die ophoudt deelgenoot te zijn en de mate waarin die mate van gerechtigdheid toekomt aan de niet-uittredende deelgenoten. Gelet op de situatie onder 3 en hetgeen ik daaromtrent eerder heb uiteengezet,4 kan worden aangenomen dat krachtens verdeling bij de resterende deelgenoten in totaliteit een ‘aanwas’ dient plaats te vinden gelijk aan de grootte van de gerechtigdheid van de uittredende deelgenoot, waarbij de ‘aanwas’ bij elk van de overblijvende deelgenoten in verband met de uittreding van de andere deelgenoot minimaal bedraagt nul en maximaal bedraagt het breukdeel waartoe de uittredende deelgenoot tot het gemeenschapsgoed gerechtigd was.5
Gelet op het bovenstaande dient dan ook te worden aangenomen dat de situatie als bedoeld onder 3 als ‘grensgeval’ moet worden aangemerkt met betrekking tot de mogelijkheid om krachtens verdeling tot het gewenste rechtsgevolg te komen. Met betrekking tot de situatie als bedoeld onder 4 moet worden aangenomen dat de daarin bedoelde eindtoestand niet (uitsluitend) via de rechtshandeling van verdeling kan worden bereikt. Alleen de rechtshandeling ten gevolge waarvan A ophoudt deelgenoot te zijn kan als verdeling worden aangemerkt. Afhankelijk van de mate waarin krachtens verdeling door B en C zal worden verkregen, zal op grond van een afzonderlijke tussen B en C gemaakte afspraak nog een zodanige verschuiving van gerechtigdheid tot de gemeenschapsgoederen dienen plaats te vinden dat C na effectuering daarvan nog slechts tot een zesde gedeelte gerechtigd zal zijn. Daar in het laatste geval uitsluitend een wijziging van breukdelen optreedt, wordt aan een verkrijging krachtens verdeling niet toegekomen. De verkrijging zou in dat geval bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden ten titel van koop (met tegenprestatie) dan wel schenking (zonder tegenprestatie).
Geconcludeerd kan worden dat de reikwijdte van de mogelijkheid om krachtens verdeling te verkrijgen wordt bepaald door een cumulatie van twee criteria:
Het criterium van de reikwijdte van het begrip ‘verkrijgen’ zoals bedoeld in de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip. Overeenkomstig dit criterium dient te worden aangenomen dat bij de uitleg van het begrip ‘verkrijgen’ in het kader van verdeling het gehele goed als object van de rechtshandeling in aanmerking genomen moet worden. De deelgenoot die krachtens verdeling verkrijgt, verkrijgt derhalve ook hetgeen waartoe hij reeds gerechtigd was.6
Het criterium van de mate waarin een deelgenoot over (zijn aandeel in) het gemeenschapsgoed kan beschikken. Met dit criterium wordt gedoeld op de omvang van het ‘vrijvallende’ aandeel in een of meer goederen van de gemeenschap wegens de uittreding van een deelgenoot. De verkrijging krachtens verdeling van een of meer goederen van de gemeenschap dient derhalve plaats te vinden ten gevolge van de uittreding van ten minste een deelgenoot, waarna het aan de uittredende deelgenoot toebehorende aandeel zal gaan behoren tot de gerechtigdheid van (een of meer van) de overblijvende deelgenoten overeenkomstig de mogelijkheid om over een dergelijk aandeel te beschikken.
Is er sprake van ‘verkrijgen’ volgens het eerste criterium, maar is deze verkrijging niet in zijn geheel gerelateerd aan de uittreding van een deelgenoot dan wordt alleen in de mate waarin dit wel het geval is verdeling aangenomen en komt voor het overige deel geen verdeling tot stand (situatie 4).
De reikwijdte van ‘verkrijgen’ in het kader van verdeling wordt aldus bepaald door enerzijds de reikwijdte van het begrip ‘verkrijgen’ zoals bedoeld in de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip7 en anderzijds door de mate waarin een deelgenoot over (zijn aandeel in) het gemeenschapsgoed kan beschikken. Dit laatste criterium is niet uitdrukkelijk in het wettelijke verdelingsbegrip opgenomen, maar kan op grond van het bovenstaande worden aangenomen.
Het is de cumulatie van de hier vermelde criteria die leidt tot de juiste afbakening van de reikwijdte van het begrip ‘verkrijgen’ in het kader van verdeling. Voor de toepassing van het bepaalde in art. 3:182 BW, uitgaande van het gehele gemeenschapsgoed als object van verdeling,8 dient derhalve te worden aangenomen dat het kader voor de verkrijging krachtens verdeling door een of meer verkrijgende deelgenoten wordt bepaald door minimaal de verkrijging ter grootte van de gerechtigdheid tot de goederen van de gemeenschap voorafgaand aan verdeling en levering (situatie 3) en maximaal de verkrijging van het gehele goed (situatie 1). Daarmee voldoet ook iedere verkrijging binnen deze grenzen aan dit criterium (situatie 2).