Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.9
6.9 Verkrijgen en medewerken door deelgenoten
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS346793:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk 7 zal het voorschrift van de medewerking door deelgenoten nader worden uitgewerkt.
Dit kan anders zijn indien bijvoorbeeld krachtens het bepaalde in art. 1:88 BW toestemming moet worden verleend. Het verlenen van een dergelijke toestemming doet overigens ook dan de toestemmende persoon niet als partij tot de overeenkomst toetreden noch heeft een dergelijke toestemming te gelden als voorwaarde voor de rechtsgeldigheid van de overeenkomst. Wel kan bij koop het verlenen van toestemming noodzakelijk zijn in het kader van levering. Zo kan een deelgenoot blijkens art. 3:190 lid 1 BW niet beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk zonder toestemming van de overige deelgenoten.
De hierboven geanalyseerde inhoud van het voor verdeling geldende verkrijgingsbegrip heeft invloed op de wijze waarop door alle deelgenoten aan de rechtshandeling van verdeling medewerking moet worden verleend. In deze paragraaf zal worden ingegaan op de reikwijdte van het begrip ‘medewerken’ in het kader van de medewerking door deelgenoten. In het bijzonder zal worden ingegaan op de vraag of onder medewerken het (enkel) verlenen van toestemming kan worden begrepen.1
Casus
A, B en C zijn gerechtigd tot een gemeenschap, ieder voor een derde gedeelte. In het kader van de door A beoogde uittreding biedt A zijn aandeel in de goederen van de gemeenschap aan aan de overige deelgenoten tegen betaling van de waarde in contanten. C verklaart geen belangstelling te hebben voor de uitbreiding van zijn belang, maar geen bezwaar te hebben tegen een uitbreiding van het belang door B. B verklaart het aandeel van A tegen betaling te willen overnemen. Nadat de hoogte van de vergoeding door A en B is bepaald, verklaren alle deelgenoten dat het geheel tot hun volkomen genoegen heeft plaatsgevonden.
In hoeverre kan voor de hier geschetste casus worden aangenomen dat alle deelgenoten hun medewerking verlenen aan een rechtshandeling op de wijze zoals bedoeld in de eerste volzin van het verdelingsbegrip?
Uit de casus blijkt dat A, B en C toestemmen in het creëren van een nieuwe rechtsverhouding ten behoeve van een beoogde vermindering van de mate van onverdeeldheid. Ten gevolge daarvan ontstaat in elk geval een als koop te kwalificeren rechtshandeling – ook indien de deelgenoten deze niet aldus kwalificeren – vanwege het feit dat A zich jegens B verbindt aan hem zijn aandeel in de goederen van de gemeenschap te geven, terwijl B zich jegens A verbindt tot het betalen van een prijs in geld (art. 7:1 BW). De vraag is nu of niet tevens een rechtshandeling van verdeling kan worden aangenomen.
Op basis van de voor verdeling vereiste medewerking moet worden geconstateerd dat de rechtshandeling van koop als zodanig niet als verdeling kan worden aangemerkt nu daarbij slechts twee van de drie deelgenoten als partij zijn betrokken. Het enkele feit dat C toestemming verleent met betrekking tot de koop maakt hem geen partij bij de koop. In beginsel heeft het verlenen van een dergelijke toestemming in het kader van de koop zelfs geen rechtsgevolg.2 De constatering dat de hier bedoelde koop als zodanig niet als verdeling kan worden aangemerkt, staat er echter niet aan in de weg dat toch tot verdeling kan worden geconcludeerd. Voor verdeling is vereist dat alle deelgenoten medewerken met een handeling die na levering tot gevolg heeft dat er een vermindering van de mate van onverdeeldheid optreedt. Indien alle deelgenoten instemmen met het bereiken van de voor verdeling vereiste verminderde mate van onverdeeldheid dan zijn zij allen betrokken bij een rechtshandeling ‘krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen’. Nu immers uit het vorenstaande is gebleken dat het begrip ‘verkrijgen’ in de zin van het verdelingsbegrip dient te worden opgevat als de verkrijging van ook hetgeen waartoe de deelgenoot reeds gerechtigd is, dient in deze casus voor zowel B als C te worden aangenomen dat zij ‘verkrijgen’ in de zin van de wet. Na effectuering van de betreffende rechtshandeling zullen zij beiden tot de goederen van de gemeenschap gerechtigd zijn en wel met uitsluiting van A ten gevolge van de uittreding door A. Aldus kan worden aangenomen dat er sprake is van een als verdeling aan te merken rechtshandeling.
Met deze constatering kan ook de vraag worden beantwoord of in het kader van verdeling onder ‘medewerken’ het verlenen van toestemming kan worden begrepen. Het verlenen van toestemming in termen van het akkoord gaan met een bepaalde handeling gaat in beginsel vooraf aan alle rechtshandelingen dus ook de rechtshandeling van verdeling. Het is het instemmen van alle deelgenoten met een bepaalde handeling in verband met het bereiken van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg waaruit de medewerking aan de als verdeling te kwalificeren rechtshandeling wordt aangenomen. Vergelijk in dit verband het onder oud recht voor boedelscheiding geldende art. 1125 lid 2 OBW:
‘Vervolgens wordt, met onderling goedvinden der belanghebbenden, bij toescheiding aangewezen, welke goederen in ieders aandeel vallen, en, zoo daartoe gronden zijn, welke geldsom wegens een of meer aandeelen ter gelijkmaking moet uitbetaald worden [cursivering door mij, THS].’
Aldus kan ook met het enkel verlenen van toestemming sprake zijn van de totstandkoming van een als verdeling aan te merken rechtshandeling waarbij alle deelgenoten partij zijn indien overigens aan de voor verdeling gestelde vereisten wordt voldaan.