Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.12:6.12 De opvatting van Kleijn
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.12
6.12 De opvatting van Kleijn
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS348002:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schoordijk 1983, p. 101, onder de toevoeging dat Kleijns dissertatie ook na invoering van het NBW haar betekenis ten volle behoudt.
OM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611.
Kleijn 1969, p. 5 e.v.
Kleijn 1969, p. 5 e.v.
Kleijn 1969, p. 8.
Kleijn 1969, p. 8.
Kleijn 1969, p. 8, 9.
Kleijn 1969, p. 8.
Kleijn 1969, p. 9.
Kleijn 1969, p. 9.
Kleijn 1969, p. 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de bepaling van de reikwijdte van ‘verkrijgen’ in het kader van verdeling kunnen we niet om ‘De boedelscheiding’ van Kleijn heen. In deze door Schoordijk als ‘bijbel voor de boedelscheiding’1 aangeduide dissertatie werkt Kleijn een eigen opvatting uit over de voor verdeling geldende eisen. Hij doet dit op basis van het verdelingsbegrip zoals dat destijds geformuleerd was in art. 3.7.1.11 Ontwerp Meijers:
‘Als een verdeling wordt beschouwd iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon hetzij vertegenwoordigd, medewerken, en waardoor een of meer van hen een of meer van de goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten ve[r]krijgen.’2
Daar de redactie van art. 3.7.1.11 Ontwerp Meijers in materiële zin dezelfde eisen stelt aan verdeling als de eerste volzin van art. 3:182 BW, rechtvaardigt dit een nadere beschouwing van Kleijns opvattingen. Kleijn behandelt in het hier genoemde kader de – in zijn bewoordingen – objectieve en subjectieve eisen voor verdeling.3 De objectieve eisen hebben betrekking op het (gehele) gemeenschapsgoed als object van verdeling, terwijl de subjectieve eisen zien op de voor verdeling vereiste medewerking door alle deelgenoten.4 Ik behandel de opvatting van Kleijn aan de hand van enkele door hem gebruikte casusposities naar aanleiding waarvan hij ingaat op de vraag wanneer er sprake is van ‘verkrijgen’ en ‘medewerken’ in de zin van het hierboven geciteerde verdelingsbegrip.
Stel dat A, B en C zijn gerechtigd tot een gemeenschap, ieder voor een derde gedeelte. Bij onderlinge afspraak treedt B uit de gemeenschap. B draagt aan A zijn aandeel over met formele medewerking of toestemming van C. A wordt voor twee derde gedeelte gerechtigd tot de gemeenschap, terwijl de gerechtigdheid van C ongewijzigd blijft.5 Kleijn werkt deze casus als volgt uit:
‘In de negatieve formulering is dit objectief gezien een scheiding, aangezien B’s band met het gemeenschappelijk goed is verbroken. In de positieve omschrijving kan men twijfelen; uitgaande van de tekst van NBW 3.7.1.11 moet er sprake zijn van verkrijging van een goed der gemeenschap door een of meer deelgenoten met uitsluiting van de overigen. Deze verkrijging moet geschieden dóór de verdeling. Welnu, C krijgt niets, hij houdt wat hij had. Zo gezien is deze handeling van C geen scheiding. Ook ten opzichte van A en B niet, aangezien het object der handeling niet is de gemeenschap, maar 2/3 gedeelte daarvan.’6
Kleijn betoogt dat het er bij verdeling op neer komt dat het object van de handeling het gemeenschappelijke goed moet zijn en dat dit niet het geval is indien de gemeenschap ten opzichte van een deelgenoot wordt verbroken zonder dat dit gepaard gaat met een verkrijging in termen van aanwas door de andere deelgenoten ten gevolge daarvan. Kleijn:
‘Zo sluit zich de cirkel: eerst dán is er sprake van scheiding als het object is het gemeenschappelijke goed zelf, zoals Meijers heeft gesteld. (…) Concluderend kan gezegd worden, dat de uittreding van één of meer deelgenoten tot gevolg moet hebben, dat de positie van alle overige deelgenoten verandert. Dit kan geschieden door eenvoudige automatische aanwas: B treedt uit, A en C krijgen ieder de 1/2, maar ook door geleide aanwas: A krijgt 5/9, C 4/9. Gaat deze geleiding zover dat een deelgenoot niet in de aanwas deelt, dan is er geen sprake meer van uittreding ten bate van de gemeenschap, maar ten bate van een of meer bepaalde deelgenoten en is er overdracht.’7
Kleijn lijkt in eerste instantie te betogen dat het begrip ‘verkrijgen’ zoals bedoeld in het verdelingsbegrip dient te worden opgevat als een verkrijging in termen van aanwas. Dit blijkt uit zijn hierboven gegeven toelichting:
‘(...) uitgaande van de tekst van NBW 3.7.1.11 moet er sprake zijn van verkrijging van een goed der gemeenschap door een of meer deelgenoten met uitsluiting van de overigen. Deze verkrijging moet geschieden dóór de verdeling [cursivering bij Kleijn, THS]. Welnu, C krijgt niets, hij houdt wat hij had [cursivering door mij, THS].’8
Het enkel gerechtigd blijven tot de goederen van de gemeenschap (hier: door C) volstaat naar het oordeel van Kleijn niet. In het kader van verdeling dienen alle niet-uittredende deelgenoten hun (deel)gerechtigdheid tot de gemeenschapsgoederen te vergroten en wel ten gevolge van de uittreding van de overige deelgenoten.
Opvallend is dat Kleijn even later een terminologie hanteert op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat hij onder ‘verkrijgen’ verstaat de mate waarin de deelgenoten na verdeling en levering tot de gemeenschapsgoederen zijn gerechtigd. Ik verwijs wederom naar een eerder vermelde passage:
‘Concluderend kan gezegd worden, dat de uittreding van één of meer deelgenoten tot gevolg moet hebben, dat de positie van alle overige deelgenoten verandert. Dit kan geschieden door eenvoudige automatische aanwas: B treedt uit, A en C krijgen ieder de 1/2, maar ook door geleide aanwas: A krijgt 5/9, C 4/9 [cursivering door mij, THS].’9
Waar Kleijn enerzijds het ‘verkrijgen’ krachtens verdeling rechtstreeks koppelt aan de mate waarin bij de niet-uittredende deelgenoten aanwas zal optreden, lijkt hij anderzijds het ‘verkrijgen’ krachtens verdeling gelijk te stellen met de grootte van de (deel)gerechtigdheid waarmee de niet-uittredende deelgenoten na verdeling en levering tot de gemeenschapsgoederen zullen zijn gerechtigd. Dit roept de vraag op waarop Kleijn zijn aanname baseert dat als voorwaarde voor een verkrijging krachtens verdeling tevens aanwas moet plaatsvinden. Neemt hij dit aan op de grond dat volgens hem binnen het verdelingsbegrip ‘verkrijgen’ als aanwas moet worden begrepen of baseert hij dit op de aan Meijers ontleende opvatting dat scheiding het (gehele) gemeenschapsgoed tot object heeft? Mede gelet op zijn eigen ‘definitie’ van verdeling meen ik dat Kleijn dit laatste voor ogen heeft gehad:
‘Scheiding is iedere overeenkomst tussen alle deelgenoten in een gemeenschap, waarbij de uittreding van ten minste één deelgenoot ten opzichte van één of meer goederen der gemeenschap tot gevolg heeft, dat de overige deelgenoten gezamenlijk dit goed (deze goederen) verkrijgen of de enige overige deelgenoot dit goed (deze goederen) geheel verkrijgt.’10
Ik neem aan dat Kleijn van mening is dat voor verkrijging krachtens verdeling een cumulatie dient plaats te vinden van een tweetal vereisten. Het eerste vereiste houdt in dat onder ‘verkrijgen’ moet worden begrepen het na verdeling en levering gerechtigd zijn tot de (voormalige) gemeenschapsgoederen, terwijl het tweede vereiste erop ziet dat de uittreding van een of meer deelgenoten gepaard moet gaan met aanwas ten behoeve van alle overige (hier: alle verkrijgende) deelgenoten.11