Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.2
6.2 Verkrijgen volgens het verdelingsbegrip
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS348001:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.3.
Meijers 1915a, p. 360; Meijers 1915b, p. 519.
Meijers 1915b, p. 519.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 167; Van Mourik & Schols 2015, nr. 36; Van der Grinten 1984, p. 144. Zie ook Van der Ploeg 1984, p. 285 e.v. inzake HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126 (Schellens-Schellens II) en HR 16 april 1982, NJ 1982, 580 (Sanders-Sanders). Anders: Zwalve 1984, p. 118; Van Hemel 1998, p. 298; Van Hemel 2014, p. 103 naar aanleiding van HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, NJ 2013, 490 m.nt. S. Perrick, alwaar de Hoge Raad in r.o. 3.5 overweegt dat er sprake is van het gehouden zijn bij verdeling een aandeel in de gemeenschap over te dragen. Annotator Perrick in zijn noot onder punt 4 beschouwt het gebruik van de begrippen ‘overdracht’ en ‘aandeel’ in dit verband als een dubbele ‘slip of the pen’ en kent aan de door de Hoge Raad gebezigde terminologie geen principiële betekenis toe.
Zie: HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559; Kamerstukken II 1969/70, 10 560, 3, p. 25 (MvT).
Art. 7 Wbr jo. art. 12 lid 1 Wbr. Op grond van art. 3 Wbr is echter van verkrijging uitgezonderd de verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap, waarin de verkrijger was gerechtigd als rechtverkrijgende onder algemene titel. Vrijstellingen zijn opgenomen in art. 15 Wbr, alwaar – onder voorwaarden – lid 1 onder f vrijstelt de verkrijging krachtens verdeling of vereffening in bepaalde gevallen en lid 1 onder g vrijstelt de verkrijging krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners.
Zie par. 2.3.
Op welke wijze dient volgens de tekst van het verdelingsbegrip invulling te worden gegeven aan het begrip ‘verkrijgen’? In verband met de bepaling van de juiste interpretatie van dit begrip wend ik mij tot de eerste volzin van art. 3:182 BW:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.’
Uit de formulering van het verdelingsbegrip kan worden opgemaakt dat het begrip ‘verkrijgen’ ziet op een of meer ‘goederen der gemeenschap’. Het verdelingsbegrip gaat er kennelijk vanuit dat krachtens verdeling (gehele) goederen worden verkregen en niet slechts de aan de verkrijger ontbrekende aandelen daarin.
Om krachtens verdeling te verkrijgen dient eveneens te worden voldaan aan het leveringsvoorschrift zoals opgenomen in 3:186 lid 1 BW:
‘Voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven.’
In een eerder stadium heb ik reeds aandacht besteed aan de betekenis die aan het woord ‘toegedeelde’ moet worden toegekend.1 Geconcludeerd werd dat met het toegedeelde gedoeld wordt op de verdeelde goederen, dat wil zeggen de goederen waarvan bij verdeling is vastgesteld tot wiens aandeel deze behoren. Het toegedeelde moet worden onderscheiden van het geleverde. Het is het toegedeelde dat nog moet worden geleverd en wel volgens het wettelijke voorschrift als hierboven vermeld. Dient nu op grond van het vorenstaande te worden aangenomen dat het object van verdeling betreft het (gehele) goed en derhalve ook hetgeen waartoe de verkrijgende deelgenoot reeds gerechtigd is?
In de opvatting van Meijers is het object van scheiding het gemeenschappelijke goed als geheel.2 In het kader van een aan hem gerichte rechtsvraag in WPNR werpt hij bezwaren op tegen een andersluidende visie:
‘Men scheidt niet aandeelen van deelgenooten, maar gemeenschappelijke goederen.’3
Vergelijk in dit verband ook het destijds voor boedelscheiding geldende art. 1125 lid 2 OBW over de inhoud van het begrip ‘toescheiding’:
‘Vervolgens wordt (…) bij toescheiding aangewezen, welke goederen in ieders aandeel vallen (...).’
In lijn met art. 1125 lid 2 OBW bepaalt de eerste volzin van art. 3:182 BW dat:
‘als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten (…) medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen [cursivering door mij, THS].’
Een bevestiging van de gedachte dat (gehele) goederen het voorwerp van verdeling (en levering) zijn, is te vinden bij de minister in zijn beantwoording van vragen ‘ter voorkoming van misverstand’ in het kader van art. 3.7.1.14a lid 1 BW (thans art. 3:186 lid 1 BW). De minister spreekt over de betekenis van verdeling in relatie tot de vaststelling van de aan de deelgenoten toekomende goederen en de verkrijging daarvan:
‘Daarbij verdient aantekening dat ook in artikel 3.7.1.11 [thans art. 3:182 BW, THS] de term verdeling wordt gebezigd in de (…) zin van de vaststelling van wat aan ieder van de deelgenoten toekomt, “krachtens” welke vaststelling de verdeelde goederen worden geleverd en aldus verkregen [cursivering door mij, THS]’4
Zo bezien stellen deelgenoten in het kader van verdeling vast welke goederen in ieders aandeel vallen en worden de in ieders aandeel vallende goederen wederom voorwerp van een wettelijk voorschrift, nu inhoudend de wijze waarop deze goederen via levering dienen over te gaan op de verkrijgende deelgenoot. De toedeling van een goed staat daarmee gelijk aan de toedeling van het gehele goed en de deelgenoot verkrijgt derhalve dat wat hij reeds ten dele had.5 Men vergelijke in dit verband eveneens de systematiek van de (voormalige) Registratiewet 1917 en de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr), waarbinnen voor de vaststelling van de inhoud van de termen scheiding/verdeling het civielrechtelijke begrip leidend was/is.6 De Wet op belastingen van rechtsverkeer neemt tot uitgangspunt dat ‘hetgeen bij een verdeling wordt toegedeeld’, geacht wordt voor het geheel te zijn verkregen.7 Voor de vaststelling van de maatstaf van heffing wordt de waarde van de verkrijging vervolgens (in de regel) verminderd met de waarde van de deelgerechtigdheid van de verkrijger in de verdeelde goederen.8
Uitgaande van het bovenstaande wijzen zowel de wettekst als de toelichting op de wettekst in de richting van het krachtens verdeling verkrijgen van het toegedeelde goed. Daarmee verkrijgt de deelgenoot krachtens verdeling ook hetgeen waartoe de deelgenoot reeds vóór verdeling en levering gerechtigd is.
Tegen een dergelijke benadering zijn ook bezwaren in te brengen. De voor verdeling vatbare gemeenschappen dienen immers – zo zagen we reeds eerder – als breukdelengemeenschappen te worden aangemerkt.9 Bij dergelij-ke gemeenschappen brengen beginselen van goederenrecht met zich dat verkregen wordt hetgeen men niet heeft en niet (ook) hetgeen men reeds heeft. Uitgaande van het principe dat uitsluitend verkregen kan worden hetgeen men niet heeft, kan de vraag worden gesteld in hoeverre bij toetsing aan het verdelingsbegrip kan worden uitgegaan van een benadering waarbij onder het begrip ‘verkrijgen’ aanwas wordt verstaan.
Vooropgesteld moet worden dat het begrip ‘verkrijgen’ volgens het verdelingsbegrip zowel betrekking heeft op de een of meer deelgenoten die na verdeling en levering verkrijgen, als op de overige deelgenoten die van verkrijging zijn uitgesloten. In het geval ‘verkrijgen’ wordt beschouwd als aanwas dient het van verkrijging uitgesloten zijn te worden beschouwd als het ontbreken van aanwas; in het eerste geval vermeerdert de gerechtigdheid tot de gemeenschapsgoederen na verdeling en levering, in het tweede geval vermindert deze gerechtigdheid of blijft deze gelijk. Biedt een dergelijke benadering van het begrip ‘verkrijgen’ een goede basis voor de vaststelling van verdeling? Bij een benadering van ‘verkrijgen’ in termen van aanwas is denkbaar dat een of meer deelgenoten hun gerechtigdheid in relatieve zin vergroten (aanwas), terwijl bij de overige deelgenoten de gerechtigdheid in relatieve zin vermindert of gelijk blijft (ontbreken van aanwas), zonder dat enige deelgenoot ophoudt deelgenoot te zijn. Van verdeling kan in dat geval geen sprake zijn; er treedt geen verminderde mate van onverdeeldheid op zodat aan de maatstaf voor verdeling niet wordt voldaan. Een uitleg van het begrip ‘verkrijgen’ in termen van aanwas geeft daarmee niet het juiste kader voor de vaststelling of sprake is van verdeling en moet derhalve worden afgewezen.
Met deze uitleg van het begrip ‘verkrijgen’ zoals bedoeld in het wettelijke verdelingsbegrip van art. 3:182 BW is niet het laatste woord gezegd over de reikwijdte van het begrip ‘verkrijgen’ krachtens verdeling in het algemeen. In de loop van dit hoofdstuk zal dit begrip aan nadere beschouwingen worden onderworpen.