Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.7:6.7 Overbedeling en onderbedeling
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.7
6.7 Overbedeling en onderbedeling
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS349200:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3.7.1.14 lid 1 OM.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 617.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 619. Het verdient opmerking dat (thans) moet worden aangenomen dat de opsomming in art. 3:185 lid 2 BW niet uitputtend is, zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, r.o. 3.5. Zie ook: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 181; Van Mourik & Schols 2015, nr. 60; Breederveld 2008, p. 431.
Zie ook: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 173; Van Mourik & Schols 2015, nr. 40.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De reikwijdte van het verkrijgen krachtens verdeling wordt onder meer bepaald door de mogelijkheid om meer of minder uit de gemeenschap te ontvangen dan waarop de gerechtigde op grond van zijn gerechtigdheid aanspraak zou kunnen maken. Naar huidig recht is de mogelijkheid van overbedeling wettelijk geregeld in art. 3:185 BW voor de verdeling met tussenkomst van de rechter. In lid 2 sub b van dat artikel wordt als een wijze van verdeling genoemd de overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde. Uit de mogelijkheid van overbedeling volgt tevens de mogelijkheid van onderbedeling. Deze mogelijkheden worden in de wet echter niet uitdrukkelijk voor de contractuele verdeling bepaald.
Het is Meijers die in zijn Ontwerp voor de verdeling bij onderlinge overeenstemming op dit punt nog een uitdrukkelijke voorziening had getroffen:
‘Wanneer een gemeenschappelijk goed moet worden verdeeld, kan dit geschieden door aan ieder der deelgenoten een deel daarvan toe te delen, door een of meer van hen tegen vergoeding van de overwaarde over te bedelen, of door een verkoop van het goed gevolgd door een verdeling van de opbrengst.’1
Meijers merkt in zijn Toelichting op dat de drie vermelde wijzen van verdeling (evenredige verdeling, overbedeling tegen vergoeding van de overwaarde en verkoop tussen deelgenoten) ook onder oud recht reeds bekend zijn, al vermeldt hij ook dat de bedoelde mogelijkheid van overbedeling bij de verdeling van een gemeenschap anders dan een nalatenschap onder oud recht is betwist.2 In dit verband kan worden gewezen op het onder oud recht voor boedelscheiding geldende art. 1125 lid 2 OBW:
‘Vervolgens wordt, met onderling goedvinden der belanghebbenden, bij toescheiding aangewezen, welke goederen in ieders aandeel vallen, en, zoo daartoe gronden zijn, welke geldsom wegens een of meer aandeelen ter gelijkmaking moet uitbetaald worden [cursivering door mij, THS].’
De bepaling van Meijers omtrent de drie mogelijke wijzen van verdeling bij onderlinge overeenstemming heeft niet het stadium van de eindtekst gehaald. De reden hiervoor lijkt te liggen in een door de bepaling opgelegde beperking:
‘In de nieuwe redactie (...) is voorts tot uitdrukking gebracht dat de omgrenzing (...) van de mogelijke wijzen van verdeling alleen geldt, voor zover men niet tot overeenstemming kan komen. Bij onderlinge overeenstemming staat b.v. overbedeling zonder vergoeding der overwaarde (of tegen een prestatie in natura) vrij;’3
Het niet handhaven van een regeling over de wijzen van verdeling voor de contractuele verdeling is derhalve gelegen in het niet willen beperken van de mogelijkheden daartoe. Waar in dit verband een uitdrukkelijke wettelijke regeling ontbreekt, moet niettemin op grond van het recht voor de contractuele verdeling de mogelijkheid van overbedeling – al dan niet tegen vergoeding van de overwaarde – worden aangenomen.4 De redactie van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg volgens art. 3:182 BW omvat taalkundig gezien eveneens de mogelijkheid tot het aannemen van een dergelijke wijze van verdeling.