Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.1
6.1 Inleiding
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS345550:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de monografieën over gemeenschap: Asser/Perrick 3-V 2015; Van Mourik & Schols 2015. Tevens kan hierbij worden gedacht aan het preadvies over verdeling in de notariële praktijk ten behoeve van het wetenschappelijke congres van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie 2012 (Van Mourik e.a. 2012) en de dissertatie van Tuil (Tuil 2009). Alleen in literatuur van oudere datum kan nog over deze problematiek worden gelezen, zij het dat de opvattingen hierover uiteenlopen. Zie bijvoorbeeld: Asser/Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 327; Kleijn 1969, p. 2 e.v.; Schoordijk 1983, p. 100 e.v.
De ervaring leert dat het gebruik van (ogenschijnlijk) eenvoudige casuïstiek tot verrassende uitkomsten kan leiden. Enkele van hier te behandelen casusposities zijn ooit voorwerp geweest van bespreking tijdens een studiebijeenkomst van het Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Leiden. Na het ter beschikking stellen van de casuïstiek viel mij van een collega daarover een geringschattende opmerking ten deel. Het overleg had mede plaats in aanwezigheid van de hoogleraren Nieuwenhuis en Breedveld-de Voogd. Na een uur bleken er meer vragen te stellen dan antwoorden te geven. Het bracht de tevoren nog kritisch bevonden collega tot de constatering ‘dat er meer in zat’ dan hij aanvankelijk had gedacht.
In het vorige hoofdstuk heeft de vaststelling plaatsgevonden van de maatstaf voor verdeling. De maatstaf voor verdeling geeft de essentie weer van het effect van de verkrijging krachtens verdeling. De essentie van het effect van de verkrijging krachtens verdeling kan worden weergegeven als het optreden van een verminderde mate van onverdeeldheid. Deze verminderde mate van onverdeeldheid dient op te treden ten gevolge van de vermindering van het aantal tot ten minste een goed van de gemeenschap gerechtigde deelgenoten krachtens een daartoe strekkend handelen tussen deelgenoten waaraan alle deelgenoten medewerken. Uit de maatstaf voor verdeling en de voorwaarden waaronder deze maatstaf moet worden bereikt, blijkt dat voor de vaststelling van verdeling zowel eisen worden gesteld aan het krachtens verdeling te bereiken rechtsgevolg als aan de voor verdeling vereiste medewerking door de deelgenoten. Het zijn deze vereisten waarop in dit hoofdstuk (rechtsgevolg) en in het komende hoofdstuk (medewerking door deelgenoten) nader zal worden ingegaan.
Ondanks de beschikbaarheid van goede monografieën op het gebied van gemeenschappen, ontbreekt het in hedendaagse literatuur aan een systematische behandeling van de inhoud en reikwijdte van de rechtshandeling van verdeling, in het bijzonder met betrekking tot de situatie dat er sprake is van drie of meer tot de gemeenschap gerechtigde deelgenoten.1
In dit hoofdstuk zal een analyse worden gegeven van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg. Voor de invulling van dit rechtsgevolg is de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip van belang. Daarin staat vermeld dat er sprake moet zijn van het krachtens een rechtshandeling door een of meer deelgenoten verkrijgen van een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten. Het is met name dit voor verdeling geldende verkrijgingsbegrip waarvan de inhoud en reikwijdte zullen worden onderzocht.
Aan het einde van het hoofdstuk zullen – mede aan de hand van de uit het onderzoek komende bevindingen – enkele ‘eenvoudige’ casusposities worden besproken.2
Ter voorkoming van terminologisch misverstand merk ik wederom op dat in deze studie tot uitgangspunt wordt genomen dat de rechtshandeling van verdeling de causa voor de levering is en dat deze niet tevens de levering ter uitvoering van de verdeling omvat.3 Voor een verantwoording van deze terminologische afbakening verwijs ik naar paragraaf 4.3.