Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.3:6.3 Differentiatie binnen het begrip ‘verkrijgen’
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.3
6.3 Differentiatie binnen het begrip ‘verkrijgen’
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS351696:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hiermee wordt gedoeld op de ‘aanzuigende werking’ van het verdelingsbegrip, doordat het verdelingsbegrip ook andere rechtshandelingen dan die van verdeling in strikte zin als verdeling aanmerkt. Over het ‘absorberend effect’ van verdeling, zie ook Kleijn 1969, p. 14 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de beantwoording van de vraag op welke wijze volgens de tekst van het verdelingsbegrip aan het begrip ‘verkrijgen’ invulling moet worden gegeven, lijkt op grond van het vorenstaande te moeten worden uitgegaan van een verkrijgingsbegrip dat aansluit bij de totale gerechtigdheid na verkrijging krachtens verdeling. Of met deze vaststelling het verkrijgingsbegrip als voldoende eenduidig kan worden beschouwd, moet nog worden bezien. Zo is bij de formulering van het wettelijke verdelingsbegrip niet alleen beoogd rechtshandelingen van verdeling in strikte zin als verdeling te kwalificeren, maar eveneens rechtshandelingen anders dan die van verdeling in strikte zin. De vraag kan worden gesteld in hoeverre de uitleg van het begrip ‘verkrijgen’ op de wijze als hierboven aangegeven consequenties heeft voor het als verdeling kunnen kwalificeren van andere rechtshandelingen dan die van verdeling in strikte zin, zoals de rechtshandeling van koop.
Casus
A en B zijn gerechtigd tot een nalatenschap, ieder voor de onverdeelde helft. Bij onderlinge afspraak treedt A uit de gemeenschap tegen geldelijke vergoeding van de waarde van zijn gerechtigdheid. B wordt na levering voor het geheel gerechtigd tot de goederen van de gemeenschap.
Ik onderzoek of hier sprake kan zijn van een als verdeling aan te merken rechtshandeling, ervan uitgaande dat partijen beogen de nieuwe rechtstoestand te bereiken krachtens een rechtshandeling van verdeling in strikte zin respectievelijk een rechtshandeling van koop.
Deze casus lijkt een ‘schoolvoorbeeld’ te zijn van verdeling. Blijkens de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip wordt als een verdeling aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten medewerken en krachtens welke rechtshandeling een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. Bij toetsing aan het verdelingsbegrip kan worden geconstateerd dat in deze casus de beide tot de gemeenschap gerechtigde deelgenoten gezamenlijk meewerken aan de betreffende rechtshandeling. Deze gezamenlijke medewerking is een van de vereisten voor de totstandkoming van verdeling. Met betrekking tot het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg kan worden geconstateerd dat de tussen A en B gemaakte afspraak erop gericht is om B met uitsluiting van A krachtens deze afspraak gerechtigd te doen worden tot alle goederen van de gemeenschap. In zoverre wordt ook voldaan aan het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg. In dit verband lijkt het geen verschil te maken of de tussen A en B gemaakte afspraak een verdeling in strikte zin betreft dan wel een koop die als verdeling wordt aangemerkt. Een nauwkeurige beschouwing van het verdelingsbegrip laat echter een discrepantie zien in de wijze waarop bij toetsing aan het verdelingsbegrip invulling moet worden gegeven aan de term ‘verkrijgen’.
Indien de afspraak tussen A en B kwalificeert als een verdeling in strikte zin zal B na toepassing van de leveringshandeling het gehele goed verkrijgen. B verkrijgt daarmee ook hetgeen waartoe hij reeds gerechtigd was en niet alleen hetgeen waartoe hij niet gerechtigd was. Indien de afspraak tussen A en B kwalificeert als koop dan zal B enkel het aandeel van A verkrijgen en daarmee uitsluitend hetgeen waartoe hij niet gerechtigd was. Dit lijkt ook te volgen uit de eerste volzin indien we ‘de koop AB’ invoegen in het wettelijke verdelingsbegrip ter vervanging van ‘iedere rechtshandeling’:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt [de koop AB] (…) krachtens welke een of meer van [de deelgenoten] een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.’
Indien de formulering van het wettelijke verdelingsbegrip wordt gevolgd, zal de koop AB pas dan als een verdeling worden aangemerkt indien krachtens de koop het voor verdeling vereiste rechtsgevolg wordt bereikt. Hoewel B enerzijds na koop en levering met uitsluiting van A gerechtigd zal zijn tot het gehele goed en de uitvoering van de rechtshandeling van koop in zoverre overeenstemt met het rechtsgevolg dat ook via verdeling en een daarop volgende levering wordt bereikt, moet anderzijds worden aangenomen dat – anders dan bij de verkrijging krachtens verdeling in strikte zin – na koop en levering niet het gehele goed krachtens die rechtshandeling wordt verkregen. B zal krachtens de tussen hem en A gesloten koop slechts voor de helft worden gerechtigd tot het gemeenschapsgoed waartoe hij krachtens erfrecht reeds voor de andere helft gerechtigd was. Een grammaticale interpretatie van het in de eerste volzin bepaalde zal derhalve voor de hier besproken casus tot consequentie hebben dat met de tussen A en B gesloten koop geen verdeling kan worden bereikt.
Op basis van het bovenstaande kan nu als volgt worden geconcludeerd. Zowel op grond van de wettekst als op grond van de toelichting bij de wettekst lijkt te moeten worden aangenomen dat voor verkrijging krachtens verdeling het (gehele) goed moet worden verkregen. Een dergelijke invulling van het begrip ‘verkrijgen’ is echter niet aan de orde bij een verkrijging krachtens koop en zal evenmin aan de orde zijn bij verkrijgingen krachtens andere rechtshandelingen dan die van verdeling in strikte zin. Wordt voor rechtshandelingen anders dan die van verdeling in strikte zin een interpretatie van het verkrijgingsbegrip van art. 3:182 BW gehanteerd dat overeenstemt met hetgeen krachtens een verdeling in strikte zin wordt verkregen, dan komt aan de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip geen goede zin toe in zoverre daarmee bedoeld is daarvan een absorberende werking1 te laten uitgaan met betrekking tot de eerstbedoelde rechtshandelingen.