Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.4.2.1
7.4.2.1 Barneveld/Gasunie
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284687:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Toegegeven: de Hoge Raad constateert dat dat oordeel van het hof niet is bestreden. Men zou daarom kunnen verdedigen dat de Hoge Raad om cassatietechnische redenen van het bestaan van dat samenhangende afgeleid belang uit moest gaan. Het komt mij echter onwaarschijnlijk voor dat de Hoge Raad de zaak op die cassatietechnische gronden heeft moeten afdoen. De Hoge Raad had immers best kunnen casseren door te oordelen dat het hof een te ruime, en dus onjuiste, uitleg heeft gegeven aan art. 164. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel stelde namelijk aan de orde dat het hof uitgegaan was van een onjuiste – want te brede – beschermingsomvang van de bepaling.
Sommigen plaatsen deze casus op het grensvlak van de relativiteit en de correctie Langemeijer en constateren dat er tussen beiden een ‘vloeiende overgang’ bestaat: zie bijv. Schild en De Jongh 2007, p. 151 en H.C.W.M. Moesker in zijn annotatie onder het arrest in TBR 2008/21 onder 3.). Mijns inziens laat dat ook zien dat de relativiteit vooralsnog onvoldoende afgebakend is en, waar dat uitkomt, vermengd wordt met andere leerstukken.
Vgl. Van der Kooij 2019, nr. 398 die ook opmerkt dat onduidelijk is hoe dit ‘afgeleid belang’ binnen de relativiteit geplaatst moet worden.
481. B&W van de gemeente Barneveld heeft aan Cozijnsen een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een stal en berging op zijn perceel. Art. 164 lid 1 en 2 van het vigerende bestemmingsplan bepalen dat binnen een afstand van 5 meter aan weerszijden van op het plan aangegeven gasleidingen niet mag worden gebouwd. Art. 164 lid 3 bepaalt dat B&W van dit verbod vrijstelling kunnen verlenen, als na inwinning van advies van de leidingbeheerder (de Gasunie) blijkt dat tegen die bouw vanuit het oogpunt van exploitatie van de leiding geen overwegende bezwaren bestaan. Dat advies heeft B&W nooit ingewonnen. Nadat Cozijnsen zijn stal en berging over de gasleiding heen heeft gebouwd, ziet de Gasunie zich ter waarborging van de veiligheid genoodzaakt de leiding te verleggen. Zij wil die kosten verhalen op de gemeente en beroept zich in dat verband op schending van art. 164 lid 3. Volgens de gemeente strekt die bepaling enkel tot bescherming van de veiligheid van de omwonenden, niet van de vermogensrechtelijke belangen van de Gasunie.
482. Het standpunt van de gemeente is begrijpelijk. Art. 164 heeft blijkens haar inhoud en opzet immers primair de strekking bewoners en gebruikers van de gasleiding te beschermen tegen de gevaren van een door bebouwing beschadigde, of niet meer goed te bereiken, gasleiding. De Gasunie heeft in het kader van die beoogde bescherming een adviserende functie. De norm laat in het midden of zij ook de bescherming van Gasunie op het oog heeft en, meer specifiek, of zij ook het oog heeft op de gemaakte verleggingskosten. Het laat zich dus niet positief vaststellen dat voldaan is aan de persoonlijke, zakelijke en ontstaansrelativiteit.
483. De Hoge Raad slaat echter een andere weg in:
“Het hof heeft het standpunt van de Gemeente dat art. 164 strekt tot bescherming van omwonenden en gebruikers (…) als juist aanvaard, doch daaraan, in cassatie onbestreden, toegevoegd dat Gasunie een daarvan afgeleid belang heeft dat daarmee zozeer samenhangt dat het onder deze bescherming moet worden begrepen. Dit belang acht het hof door de Gemeente geschonden. Aan de aansprakelijkheid van de Gemeente kan niet afdoen dat de vergunninghouder ook een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet op de aardgastranspostleiding had mogen bouwen.”
De Hoge Raad construeert hier – met het hof – de relativiteit door te aanvaarden dat de Gasunie een ‘afgeleid belang’ heeft dat ‘zozeer samenhangt’ met het door art. 164 beschermde belang, dat het onder die bescherming moet worden begrepen.1
484. De door de Hoge Raad gehanteerde methode overtuigt mij niet. Ten eerste laat zich die uitkomst via uitleg van de geschonden norm niet bereiken. Het bestaan van zo’n nauw samenhangend ‘afgeleid belang’ zegt immers niets over de inhoud van de geschonden norm zelf. Het zegt enkel dat een andere partij óók een belang heeft bij handhaving van die norm. Verder is onduidelijk waar het afgeleid belangcriterium vandaan komt. Is het een algemeen criterium dat steeds invloed heeft op de relativiteit? Verder verklaart de Hoge Raad niet waarom het bestaan van zo’n samenhangend afgeleid belang invloed zou hebben op de beschermingsomvang van de norm. Dat is ook niet zonder meer begrijpelijk. Er zijn immers tal van partijen die een sterk samenhangend afgeleid belang hebben bij de handhaving van dergelijke normen: de bakker die wegens de onterechte aanwezigheid van de gasleiding en de als gevolg daarvan te verrichten risicovolle werkzaamheden gesloten moet blijven, heeft ook een samenhangend afgeleid belang. Toch vind ik het niet overtuigend te zeggen dat art. 164 hem tegen die vermogensschade zou willen beschermen. Bovendien, zelfs als men het ‘afgeleide belang’-criterium accepteert, verklaart dat wellicht waarom de Gasunie beschermd wordt. Het is echter nog niet duidelijk waarom de norm zou beschermen tegen de verleggingskosten. Ook hier verlangt de positief ingestoken drieledige relativiteitsleer dus meer dan het daartoe aanwezige instrumentarium kan bieden.2 De Hoge Raad lost de casus daarom zonder nadere verklaring op met een hulpmiddel dat de uitkomst volgens mij nog steeds niet overtuigend weten te verklaren.3 In §7.5.3 komt aan de orde hoe deze kwestie volgens mij opgelost moet worden.