Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.4.f
f. Inbreng
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS473728:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser-Meijers, vierde deel, Erfrecht, p. 326 en 355 e.v., alsmede J.G. Klaassen, J. Eggens, EAA. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte: erfrecht, p. 362 e.v.
Aldus M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 42. Zie tevens M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, p. 620 e.v., alsmede M.J.A. van Mourik, ‘Erfrechtelijke inbreng naar Boek 4 NBW, in: WPNR (1995) 6195.
Zie J.G van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, §7.8.1.
B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10.
B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10.
In de tekst van artikel 85, lid 2 WILG wordt op diverse plaatsen het woord ‘inbreng’ aangetroffen. Ik roep de wettekst, die hiervoor in onderdeel B.2 uitvoerig is geanalyseerd, nogmaals in herinnering:
”Bij een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid kunnen mede partijen betrokken zijn die tegen inbreng van een geldsom onroerende zaken of tegen inbreng van onroerende zaken een geldsom bedingen, met dien verstande dat overeenkomsten waarbij niet meer dan drie partijen zijn betrokken slechts als ruilverkaveling bij overeenkomst worden aangemerkt indien alle partijen onroerende zaken inbrengen en ten hoogste één van hen daartegen slechts een geldsom bedingt, (onderstreping door mij, JR)”
Het begrip ‘inbreng’ was tevens opgenomen in artikel 1132 oud BW, een bepaling uit de titel ‘boedelscheiding’. Boedelscheiding casu quo verdeling en inbreng hingen ouder het oude recht derhalve in wetssystematisch opzicht met elkaar samen. Met ‘inbreng’ ex artikel 1132 oud BW was bedoeld het terugbrengen in de boedel van hetgeen de erfgenaam tijdens leven bij wijze van gift van de erflater ontvangen heeft.1 Deze bepaling en definitie van het begrip ‘inbreng’ komt overeen met het huidige artikel 4:233 lid 1 BW, dat bepaalt dat de inbreng wordt geëffectueerd door toerekening op en verrekening met het erfdeel van de inbrengende erfgenaam. Hoewel dit artikel geplaatst is in afdeling 4 van titel 5 van boek 4 BW, een afdeling met het veelbelovende opschrift ‘Verdeling van de nalatenschap’, bevat de afdeling geen andere bepalingen dan die betreffende de inbreng in de nalatenschap.2
Daarnaast is het (fiscale) begrip ‘inbreng’, in het kader van de inbreng in een personenvennootschap, opgenomen in de tekst van de ‘inbrengvrijstelling’ van artikel 15, lid 1, onderdeel e, Wet op belastingen van rechtsverkeer. Onder ‘inbreng’ wordt in het kader van deze vrijstelling verstaan: het door de vennoten bijeenbrengen van kapitaal, meer bepaald eigen vermogen.3 Op het gebied van het (fysiek) bijeenbrengen bestaat er enige parallel met de ‘kavelruil-inbreng’, waarbij immers onroerende zaken worden bijeengebracht in een massa, die vervolgens verkaveld wordt. Voor het overige is, zo ben ik met Preller4 van mening, iedere gelijkenis met dit fiscale inbrengbegrip afwezig.
Deze (specifieke) inbrengbegrippen hebben, hoewel er enige feitelijke parallellen te ontwaren zijn, geen enkele juridische relatie met voormelde inbreng in kavelruilsferen, welke enkel dient om massa, benodigd voor de verkaveling, te kunnen construeren. Preller heeft op dit punt derhalve volkomen gelijk.5 Het begrip ‘inbreng’ brengt ons vanuit de kavelruil dus niet dichter bij de rechtsfiguur verdeling en kan derhalve niet aan de in onderdeel e besproken verzameling van (etymologisch) gelijkende begrippen worden toegevoegd.