Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.5.3.2
7.5.3.2 Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284554:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
A-G Spier heeft de parlementaire geschiedenis van de RosR en de Herziene Rijnakte uitvoerig aangehaald in zijn conclusie voor het arrest Duwbak Linda onder 4.8.1-4.20. Zie verder Van Dunné 2007 die nog aanvullende bronnen noemt en aantoont dat de Binnenschepenwet ook op dit geval van toepassing was.
Zie daarover Kamerstukken II 1976/77, 13 873, 7 (MvA), p. 22-23 en bijv. Bunschoten 2018, art. 22 Gw, aant. 2.
Vgl. Van der Kooij 2019, nr. 281 die de monopolisering van vuurwapengeweld als kerntaak van de overheid beschouwt. In het verlengde daarvan ligt de grote waarde die wij hechten aan de bescherming door de overheid van de burgers tegen geweld.
Zie over de aansprakelijkheidsnorm bij secundaire aansprakelijkheid uitvoerig Maes 2020, p. 60 e.v.
Zie bijv. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0567, NJ 2011/406, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Melchemie/Delbanco c.s.) en HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345, NJ 2017/467, m.nt. J. Spier (JMV/Zürich).
Zie bijv. Bolt & Ceulen 2016, §4. Vgl. Van Rossum 2005, p. 57, 64-65 en G.E. van Maanen 2007, p. 132, 137 en 139-140. In de DCMR-zaak werd toezichthoudersaansprakelijkheid aangenomen mede gelet op de acute en ernstige gevaren en de kans op ernstige schade die waren verbonden aan de opgeslagen chemicaliën: Hof Den Haag 22 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8578, AB 2011/245, m.nt. F.C.M.A Michiels (DCMR/Reaal c.s.). Zie ook EHRM 30 november 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999, NJ 2005/210, m.nt. E.A. Alkema (Öneryildiz/Turkije), EHRM 28 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW6229, AB 2012/314, m.nt. T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik (Kolyadenko/Rusland) waarin het EHRM op grond van art. 2 EVRM (recht op leven) positieve verplichtingen op de overheid legt om levensbedreigende situaties te voorkomen.
Vgl. ook R.J.B. Schutgens in zijn annotatie onder HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, JB 2019/187 (Schietincident Alphen a/d Rijn) onder 10 die eenzelfde uitkomst voorspelt.
Vgl. J. Hijma in zijn annotatie onder HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281 (Duwbak Linda), onder 8 die eveneens opmerkt dat letselschade beschermingswaardiger is en zich afvraagt of letselschade niet onder het beschermingsbereik van de norm zou moeten vallen. Hij ziet daarvoor binnen de argumentatie van de Hoge Raad echter geen plaats.
532. Hoe werkt de door mij voorgestelde toets uit in de kwesties Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn? In die zaken ging het om de aansprakelijkheid van de overheid als toezichthouder vanwege een ten onrechte aan de eigenaar van de Linda afgegeven veiligheidscertificaat resp. aan Van der Vlis afgegeven wapenvergunning.
533. Ten eerste laat zich ook in deze zaken niet negatief door middel van uitleg vaststellen dat het RosR en de Herziene Rijnvaartakte resp. de WWM niet strekken tot bescherming van de eigenaar van het gezonken schip tegen diens schade resp. de aanwezigen en winkeliers in het winkelcentrum tegen vuurwapengeweld en/of zaakschade. We zagen namelijk eerder al dat de parlementaire geschiedenis alsmede (in het geval van de WWM) het systeem van de wet juist erop duiden dat de geschonden normen wel strekken tot bescherming van de gelaedeerden tegen hun schade. In beide gevallen stond de wetgever namelijk de bescherming voor ogen van de veiligheid van de deelnemers aan het scheepvaartverkeer resp. de veiligheid van de samenleving.
534. Laat zich in deze twee casus in het kader van stap 2) positief door middel van uitleg vaststellen tegen welke schade de geschonden norm wel willen beschermen, zodat toerekening van die schade op grond van art. 6:98 BW gerechtvaardigd is? Volgens mij is dat deels het geval. In beide casus laat zich mijns inziens positief vaststellen dat de certificaat- resp. vergunningsplicht in ieder geval tot doel hebben opvarenden resp. winkeliers en aanwezigen in het winkelcentrum te beschermen tegen letselschade en overlijdensschade. De wetsgeschiedenis van de RosR, de Herziene Rijnakte en de Binnenschepenwet wijzen er namelijk steeds weer op dat het certificaat ertoe strekt de veiligheid voor de opvarenden en andere deelnemers aan de binnenvaart te beschermen.1 Daarin ligt volgens mij besloten dat in ieder geval letsel-, overlijdenschade en daarmee samenhangende inkomensschade van opvarenden onder het beschermingsbereik vallen en daarom toerekenbaar zijn. Dezelfde conclusie volgt voor de Schietincident Alphen a/d Rijn-casus uit de wetsgeschiedenis van de Wapenwet 1919 en de WWM: de vergunningsplicht strekt uiteraard tot bescherming van letsel-, overlijdensschade en inkomensschade als gevolg van vuurwapengeweld. Dat Hoge Raad oordeelt dat in de Schietincident Alphen a/d Rijn-zaak ook zelf met zoveel woorden.
535. De wetsgeschiedenis noch (het systeem van) de wet geven in Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn echter duidelijke informatie over de vraag of ook zaakschade of vermogensschade van de scheepseigenaar resp. de winkeliers voor vergoeding in aanmerking komen. De parlementaire geschiedenis zwijgt erover, terwijl de wetteksten van de RosR en de Herziene Rijnvaartakte resp. de WWM evenmin daarop een sluitend antwoord kunnen bieden. Ook andere uitleginstrumenten kunnen op deze vraag in deze gevallen volgens mij geen overtuigend sluitend antwoord geven. Er lijkt bij de totstandkoming van de regelgeving eenvoudigweg niet over nagedacht. De zaaks- en vermogensschade kan daarom in ieder geval niet toegerekend worden op de grond dat de geschonden norm strekt tot bescherming van die schade. Daarmee komt de derde stap in zicht.
536. Op basis van de art. 6:98 BW-gezichtspunten zal moeten worden vastgesteld of de zaaks- en vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij spelen de aard van de aansprakelijkheid, het doel en de strekking van de geschonden norm, de aard van de schade etc. een rol. In dit verband is volgens mij ook van belang dat de overheid als toezichthouder optreedt en dus secundaire dader is. De secundaire dader staat verder verwijderd van de schade dan de primaire dader. Die verwijderdheid is een algemeen aanvaard gezichtspunt dat binnen art. 6:98 BW een rol speelt. Aan de onrechtmatige daad van een primaire dader rekent men daarom in zijn algemeen ruimer toe dan aan die van een secundaire dader. Bovendien speelt hier de maatschappelijke rol van de overheid als toezichthouder volgens mij mee: men verwacht in het algemeen meer verantwoordelijkheid van de overheid ter voorkoming van letsel- en overlijdensschade dan ter voorkoming van zaakschade of zuivere vermogensschade. De bescherming van de volksgezondheid vormt blijkens art. 22 lid 1 Gw een kerntaak van de overheid. Onder die plicht valt ook het voorkomen van concrete gevaren.2 Snellere toerekening van letsel- en overlijdensschade dan van zaaks- of vermogensschade strookt met die visie op de taken van de overheid.3
536a. Hier dringt zich een vergelijking op met de algemene aansprakelijkheidsnorm die geldt voor de overheid als secundaire dader (toezichthouder) – die dus geldt buiten het besluitenaansprakelijkheidsrecht waarin de schending van een specifieke wettelijke norm bij het nemen van het besluit de onrechtmatigheid constitueert, zoals in Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn. Die algemene toezichthouderaansprakelijkheid wordt beheerst door de gevaarzettingsnormen.4 De overheid is als secundaire dader (toezichthouder) aansprakelijk als zij door haar nalaten als toezichthouder in te grijpen de burger aan een hoger risico heeft blootgesteld dan in de gegeven omstandigheden maatschappelijk aanvaardbaar is. Die gevaarzettingsnorm kent ook betekenis toe aan de aard en ernst van de schade.5 In de regel wordt aangenomen dat op de overheid sneller een verplichting tot ingrijpen rust als het gaat om personenschade, zoals letsel en overlijden.6 Die omstandigheid wordt dus buiten het besluitenaansprakelijkheidsrecht al verdisconteerd in de gevaarzettingsnorm. De norm strekt dan ook tot bescherming tegen die schade (stap 2). In het besluitenaansprakelijkheidsrecht is dat niet mogelijk, omdat de onrechtmatigheid schuilt in de schending van een wettelijke norm bij het nemen van het besluit. Het verbaast daarom niet dat het gezichtspunt vervolgens – als die norm niet duidelijk tot bescherming van de geleden schade strekt – een eigen plaats krijgt in stap 3.
537. Op grond van het voorgaande is volgens mij inzichtelijker dat en waarom de Hoge Raad in Duwbak Linda geen aansprakelijkheid heeft willen aannemen voor de door de eigenaar van de gezonken baggercombinatie geleden zaaks- of vermogensschade. De geschonden norm ziet namelijk in de eerste plaats op de veiligheid van opvarenden en andere deelnemers aan het scheepvaartverkeer. Bij die gerichtheid van de norm op de bescherming van opvarenden van de schepen past niet goed dat ook zaakschade of vermogensschade van de eigenaar van het schip voor vergoeding in aanmerking komt. Dat geldt temeer omdat (a) zaaks- en vermogensschade in het algemeen minder snel voor vergoeding in aanmerking komt dan letselschade en (b) de Staat hier secundaire dader is. Overigens zou toerekening van die schade volgens mij wel op zijn plaats kunnen zijn als de Staat/de keuringsdienst bij het verrichten van de keuring zeer ernstige fouten zou hebben gemaakt en het zinken van de duwbak daarvan een waarschijnlijk gevolg zou zijn geweest. Anders dan de Hoge Raad in Duwbak Linda oordeelt, komt volgens mij dus wel betekenis toe aan het gegeven dat de bak al 32 jaar oud was en er dus mogelijk reden was hem extra kritisch te onderzoeken.
538. Ook in de Schietincident Alphen a/d Rijn-zaak moet – nu uitleg van de geschonden norm geen antwoord op die aansprakelijkheidsvraag geeft – nagegaan worden of de zaaks- en vermogensschade van de winkeliers op grond van art. 6:98 BW kan worden toegerekend. In dat verband is ook weer van belang dat de norm allereerst strekt tot bescherming tegen vuurwapengeweld en daarmee samenhangende letsel- en overlijdensschade. Ook geldt weer dat zaaks- en vermogensschade minder snel toegerekend worden. De Politie is hier bovendien weer secundair dader. Voorts is niet erg waarschijnlijk dat als gevolg van een onterechte wapenvergunning in een winkelcentrum geschoten zal worden en winkeliers daardoor zaaks- en zuivere vermogensschade zullen lijden. Al deze omstandigheden wijzen erop dat de zaaks- en vermogensschade van de winkeliers niet kan worden toegerekend aan de onterechte vergunningverlening.7
539. Een eenvoudig gedachte-experiment maakt bovenstaande uitkomst volgens mij eveneens inzichtelijk. Stel dat in Duwbak Linda een schip ten onrechte was gecertificeerd waarna het zou zijn gezonken en de bemanning zou zijn verdronken. Zou men dan ook hebben aangenomen dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen die overlijdensschade?8 En stel dat in de Schietincident Alphen a/d Rijn-zaak enkel wat ruiten van winkeliers waren ingeschoten. Zou men dan hebben gezegd dat art. 7 WWM tegen die schade beoogt te beschermen? Ik vermoed dat de uitkomst dan tegengesteld zou zijn geweest. Waren die oordelen in de relativiteitssleutel geplaatst, dan zouden zij wederom vanwege hun hoge hoed-karakter aan kritiek hebben blootstaan. Die uitkomst is inmiddels volgens mij beter verklaarbaar doordat in mijn benadering art. 6:163 BW en art. 6:98 BW zich op een consistentere wijze tot elkaar verhouden en daardoor duidelijk is hoe die toetsen moeten worden uitgevoerd.