De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.5.3.1:7.5.3.1 Barneveld/Gasunie
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.5.3.1
7.5.3.1 Barneveld/Gasunie
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284686:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
528. In Barneveld/Gasunie stond de vraag centraal of art. 164 van het bestemmingsplan – dat bouwen in de buurt van een gasleiding verbiedt zonder door de gemeente in te winnen positief advies van de Gasunie – ook de Gasunie beschermt tegen verleggingskosten die zij heeft moeten maken doordat de gemeente heeft verzuimd een advies in te winnen. De Hoge Raad construeert de relativiteit door middel van een ‘afgeleid belang’ dat ‘zozeer samenhangt’ met het belang van de bewoners en gebruikers dat de bescherming van de Gasunie daaronder begrepen moet worden. Die constructie overtuigt volgens mij niet (zie hiervoor §7.4.2.1). Hoe past de zaak binnen het hierboven voorgedragen systeem?
529. In het kader van stap 1) gaat men na of zich via uitleg van de norm laat vaststellen dat de geschonden norm in ieder geval niet strekt tot bescherming tegen schade zoals door Gasunie geleden. Dat is volgens mij niet het geval. Het laat zich enkel vaststellen dat art. 164 in ieder geval wél de veiligheid van de omwonenden en gebruikers van de gasleiding wil beschermen. Dat betekent echter nog niet dat de norm de Gasunie niet tegen de door haar gemaakte omleggingskosten wil beschermen. Dat geldt temeer, omdat (a) de onbebouwd te laten gasleiding in eigendom is van de Gasunie en (b) art. 164 lid 3 wel een positief advies van de Gasunie vereist om vrijstelling te verkrijgen van het bouwverbod. De belangen van Gasunie bij het bouwen op de gasleiding spelen dus binnen art. 164 lid 3 wel een rol. Art. 6:163 BW staat dus niet aan aansprakelijkheid van de gemeente in de weg.
530. Vervolgens gaat men in het kader van stap 2) na of zich positief laat vaststellen dat de geschonden norm de Gasunie duidelijk wel wil beschermen tegen de gemaakte verleggingskosten. Dat is evenmin het geval, omdat de regeling primair is opgesteld ter bescherming van de bewoners en gebruikers. De Gasunie speelt daarbij slechts zijdelings een rol. Bovendien is niet via uitleg vast te stellen dat de norm specifiek zou willen beschermen tegen de verleggingskosten. De schade is dus evenmin zonder meer toerekenbaar ex art. 6:98 BW.
531. Ten slotte zal men in het kader van stap 3) moeten kijken of de relevante art. 6:98 BW-gezichtspunten de toerekening van de schade kunnen rechtvaardigen. Dat is volgens mij het geval, omdat de meeste gezichtspunten die kant op wijzen. Allereerst maakt de Gasunie de verleggingskosten (a) noodgedwongen en (b) ten behoeve van het door art. 164 beschermde belang. De verlegging vindt immers plaats om de veiligheid van de omwonenden en gebruikers te dienen. Bovendien heeft de norm kennelijk wel tot doel de Gasunie inspraak te geven in het al dan niet toestaan van bouw op haar gasleidingen. In zoverre heeft de norm dus wel de bij de gasleiding betrokken belangen van de Gasunie op het oog. Doel en strekking van de geschonden norm dragen dus wel bij aan de rechtvaardiging van de schadetoerekening. Zij spelen hier echter geen relativiteitsrol, maar vormen onderdeel van de toerekeningsvraag. Voorts zijn de gemaakte kosten een zeer waarschijnlijk gevolg van de normschending: bij de afgifte van een vergunning tot bouw bovenop een gasleiding zonder positief advies van Gasunie is namelijk goed mogelijk dat Gasunie met het oog op de veiligheid een negatief advies zou hebben afgegeven. In het verlengde daarvan is onvermijdelijk dat Gasunie kosten zal moeten maken om de leidingen, wegens inmiddels gerealiseerde bouw, te verleggen ten behoeve van de veiligheid. Deze omstandigheden rechtvaardigen de toerekening van de schade aan de onrechtmatige daad. Deze redenering is volgens mij inzichtelijker dan het door de Hoge Raad gehanteerde ‘afgeleid belang’-criterium.