Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.3
2.2.3 Handelingen met voorbereidingsmiddelen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715443:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Jong 1992, p. 44. Strijards meent dat het onderscheid tussen causa proxima en causa remota op hoofdlijnen overeenstemt met dat tussen uitvoeringshandelingen en voorbereidingshandelingen (Strijards 1988, p. 34). Anders dan Strijards meen ik dat strikt genomen slechts bij de voltooide poging van een causa proxima kan worden gesproken. De onvoltooide poging is, samen met de voorbereidingshandeling, causa remota.
Vgl. Koops & Prins 2004, par. 2.1.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 76; De Jong 1992, p. 44; Buiting 1965, p. 30.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 66; Van Eck 1947, p. 75.
Cornford 2015, p. 12 en 13-14; Simester & Von Hirsch 2011, p. 62; Duff 1996, p. 387 en 388-398; Rutgers 1992, p. 286.
Rutgers 1992, p. 285.
De strafbaarheid van voorfasehandelingen blijft in de liberale benadering blijkens het voorgaande bij voorkeur beperkt tot gedragingen die in termen van tijd en causale schakels dicht bij het intreden van schadelijke gevolgen liggen; de gedraging is bij voorkeur een zogenoemde causa proxima.1 De strafbaarheid van gedragingen die als causa remota moeten worden gekwalificeerd, is in een liberaal strafrecht in beginsel niet aanvaardbaar.2 Het objectieve gevaar dat door dergelijke gedragingen wordt veroorzaakt, is immers veel minder acuut dreigend, omdat de causale keten die leidt naar de krenking van een rechtsgoed nog erg lang is. Het is dan te onzeker of de voorbereider het uiteindelijke misdrijf echt zal gaan plegen en of er dus daadwerkelijk objectief gevaar voor schade bestaat.3 De gevolgen van voorbereidingshandelingen zijn zelden met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid vast te stellen en zijn in ieder geval onzekerder dan bij uitvoeringshandelingen.4 Bovendien miskent de strafbaarstelling van voorbereiding, nog sterker dan bij de onvoltooide poging, de autonomie van burgers, juist omdat het ontstaan van daadwerkelijke schade nog afhankelijk is van actieve keuzes van de dader en de dader nog een lange tijd de gelegenheid heeft om tot inkeer te komen.5 Daarnaast speelt ook hier – wederom sterker dan bij de onvoltooide poging – het al aangestipte gevaar voor willekeur voor wat betreft de tijd die de verdachte heeft om eventueel terug te treden voordat hij wordt betrapt. Rutgers concludeert mijns inziens dan ook terecht dat een beperking van het strafrecht tot uitvoeringshandelingen het beste aansluit bij de liberale rechtsstaatgedachte en de bescherming van individuele vrijheden.6
Het voorgaande gaat op voor voorbereidingshandelingen in het algemeen, maar het is de moeite waard om nader te kijken of, en zo ja, in hoeverre de strafbaarheid van verschillende soorten voorbereidingshandelingen kan worden gerechtvaardigd vanuit liberaal perspectief. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten voorbereidingshandelingen, te weten actieve voorbereidingshandelingen (§2.2.3.1) en passieve voorbereidingshandelingen (§2.2.3.2).
2.2.3.1 Actieve voorbereidingshandelingen2.2.3.2 Passieve voorbereidingshandelingen2.2.3.3 Gevaarlijke middelen2.2.3.4 Criminele middelen2.2.3.5 Alledaagse middelen