Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.4.2
8.4.2 Beoordeling of aan nakomingsplicht is voldaan
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685421:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3889, rov. 4.13-4.17. Dat door bezwaren van derden het door partijen gewenste bestemmingsplan niet kon worden gerealiseerd, betekent niet dat de overheid niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6822, BR 2017/60, rov. 5.8 en Hof Den Haag 6 juni 2017, ECLI:NLGHDHA:2017:1902, rov. 8.
Rb. Midden-Nederland 11 januari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:231, BR 2017/50, rov. 5.12. Vaak komt dit aspect op bij het verwijt aan de overheid dat zij te veel heeft ‘stilgezeten’ hetgeen tot tijdverlies zou hebben geleid. Indien enige tijd is verstreken omdat de gemeente naar aanleiding van bezwaren van derden tot een wijziging van het bestemmingsplan moet komen, kan dit tijdverlies niet aan de gemeente worden toegeschreven (rov. 5.13). De gemeente kan immers niet haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheden en verplichtingen ontlopen.
Rb. Noord-Nederland 31 juli 2019, ECLI:RBNNE:2019:3375, rov. 5.3. Niet-tijdig beslissen leidt overigens niet automatisch tot aansprakelijkheid. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW wegens overschrijding van de wettelijke beslistermijn zijn bijkomende omstandigheden nodig, HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, NJ 2013/47, AB 2014/15 (Overschrijding beslistermijn).
Hof Amsterdam 26 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3431, rov. 3.6.1-3.6.4.
Hof ’s-Hertogenbosch 2 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1, BR 2018/21. Zie ook Rb. Zeeland-West-Brabant 13 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1618, rov. 4.18: “Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat Noorderpolder op grond van de SOK er van mocht uitgaan dat zij 575 woningen mocht realiseren en dat de gemeente dient mee te werken dat alle noodzakelijke publiekrechtelijke besluiten in de zin van artikel 3.2. van de SOK zo spoedig worden genomen. Voor zover de gemeente zelf deze besluiten dient te nemen, dient zij de betreffende aanvragen en de te voeren procedures met voortvarendheid en met in achtneming van de “planning” te behandelen en te voeren.”
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4761, BR 2020/277, rov. 4.2. Uiteindelijk stonden de planologische ontwikkelingen sinds 2012 in de weg aan de realisering van het project (rov. 4.11) omdat die ontwikkelingen ervoor zorgden dat realisering van het project zou leiden tot een zorgelijke leegstand in het kernwinkelgebied en dat is in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar.
Zie ook de conclusie van A-G Wuisman van 6 januari 2017, die een mooie staalkaart biedt van gedragingen die op basis van een inspanningsverplichting mogen worden verwacht (ECLI:NL:PHR:2017:5). Het hof heeft in die zaak, kort gezegd, onder meer vastgesteld dat van tijdverlies door stilzitten of nodeloos talmen aan de kant van de gemeente niet is gebleken, dat bij het ontwikkelen van de twee voorstellen voor wijziging van het vigerende bestemmingsplan van de kant van de gemeente initiatieven zijn genomen en regelmatig contact met de wederpartij is onderhouden, dat in verband met het door wederpartij voorgestelde diverse onderzoeken van derden hebben moeten plaatsvinden en dat in verband met de gevoeligheid van de bouwplannen bij de buurt en de gemeenteraad behoedzaamheid is betracht door overleg met de buurt te voeren en met een kadernota de gevoelens bij de gemeenteraad af te tasten. Zie ook de annotatie van E.W.J. de Groot in BR 2014/83 die stelt dat de verplichting in elk geval behelst het aanwenden van alle redelijkerwijs ten dienste bestaande bestuurlijke middelen; een zorgvuldige voorbereiding van besluiten; het voorkomen van formele fouten en gebreken; het doorzetten van procedures tot het punt waar dit redelijkerwijs gevergd kan worden en de mogelijkheid om beleid te wijzigen, waarbij de overheid dan wel aansprakelijk is voor de schade. Zie ook zijn annotatie met R.M.F. Martines, BR 2020/77 bij Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4761. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6557, rov. 4.8.
Hof Amsterdam 24 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2638.
Zie bijv. Rb. Rotterdam 31 augustus 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7086; Hof ’s-Hertogenbosch 2 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1; Hof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6822; Hof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3522; Rb. Noord-Nederland 31 juli 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3375; Rb. Gelderland 27 februari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1256; Hof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:283; Hof ’s-Hertogenbosch 2 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4761; Hof Amsterdam 31 augustus 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2609; Hof Arnhem-Leeuwarden 19 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9833 en Hof ’s-Hertogenbosch 7 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1795.
Rb. Midden-Nederland 28 december 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7369, BR 2017/34, rov. 4.6.
HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2632 (Goeree-Overflakkee/De Eylaenden).
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3522.
Rb. Midden-Nederland 6 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:6944. In stand gebleven bij arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden 30 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3030.
Rb. Midden-Nederland 6 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:6944, rov. 4.16.
Zie ook de hierboven par. 8.4.1 genoemde zaak over de levering van industriegrond, Rb. Gelderland 2 november 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:7185. De schade als gevolg van die tekortkoming moet nog worden vastgesteld, Rb. Gelderland 7 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:2316. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, rov. 5.7 en 23 januari 2018, rov. 2.6, zaaknr. 200.132.270 en Hof Den Haag 11 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:533, rov. 4.4 waarin de gemeente in een overeenkomst heeft toegezegd een ontsluiting van een bedrijf en voor zover nodig de voor de uitweg vereiste vergunning te verlenen. Vgl. Huisman 2013, die onder 5.5 constateert dat een toerekenbare tekortkoming bij een resultaatsverplichting een stuk makkelijker is vast te laten stellen door de rechter.
Hof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9727.
Hof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9727, rov. 5.11. Zie ook Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682, waar door de gemeenteraad in de bestemmingsplanprocedure de toezegging is gedaan dat de schade zal worden vergoed die redelijkerwijs niet voor rekening van appellant behoort te blijven.
Rb. Noord-Holland 17 februari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:1291.
Rb. Noord-Holland 17 februari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:1291, rov. 4.8.
Rb. Noord-Holland 17 februari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:1291, rov. 4.9.
Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682.
Voor de beoordeling of een overeenkomst of toezegging is nagekomen, moet de rechter kritisch de in het kader van de overeenkomsten of toezegging geleverde inspanningen beoordelen. Uit de rechtspraak volgt dat die inspanningen onder meer kunnen bestaan uit instemmen met een gewijzigd planvoorstel, opstarten van een planprocedure, verdedigen van het bestemmingsplan door het college van B&W in de raadsvergadering, doen van alternatieve voorstellen,1 (veelvuldig) contact met de burger,2 doorlopen van de procedures binnen de wettelijke termijnen,3 de mogelijkheid bieden tot het aanpassen van een bouwplan,4 GS trachten te overtuigen een verklaring van geen bedenkingen te geven, (project)besluiten nemen, omgevingsvergunningen verlenen5, opstellen van conceptexploi-tatieovereenkomsten en becommentariëren van een stedenbouwkundig plan6.7
Een overheid moet, indien zij wordt aangesproken op haar nakomingsverplichting, duidelijk maken welke handelingen zij heeft verricht ter uitvoering van haar afspraken en toezeggingen.8 Voor de beoordeling of een overheid haar verplichtingen is nagekomen, is van belang of sprake is van een inspanningsverplichting of een resultaatsverplichting.
Afgaande op de gepubliceerde rechtspraak, komt de rechter meestal tot het oordeel dat de overheid een op haar rustende inspanningsverplichting is nagekomen.9 Het is aan de benadeelde om aan te tonen of concreet te maken welke inspanningen de overheid (meer) had moeten verrichten of welke omstandigheden maken dat een overheid haar eenzijdige toezegging niet is nagekomen.10 De fidens slaagt daar meestal niet in. Overheden moeten echter niet onderschatten hoe serieus – ook – inspanningsverplichtingen zijn.
Een voor de rechtsontwikkeling welkome uitzondering op de rechtspraak dat aan inspanningsverplichtingen is voldaan, vormt een zaak die leidde tot een arrest van de Hoge Raad van 18 november 2016.11 Daaruit volgt dat inspanningsverplichtingen – in dat geval rustend op de gemeente Goeree-Overflakkee tot wijziging van een bestemmingsplan om woningbouw mogelijk te maken – met de nodige zorgvuldigheid moeten worden nageleefd. Dat houdt onder meer in dat een overheid geen eenvoudig te vermijden fouten maakt. In het geval van de gemeente Goeree-Overflakkee had de bestuursrechter het bestemmingsplan vernietigd. De civiele rechter oordeelt dat de gemeente bij het opstellen van het bestemmingsplan ten onrechte niet tijdig akoestisch onderzoek heeft gedaan en op basis van de uitkomst daarvan een bouwvoorschrift in het bestemmingsplan heeft opgenomen. Het bestemmingsplan zou volgens de civiele rechter hoogstwaarschijnlijk in stand zijn gebleven indien daarin een passend bouwvoorschrift zou zijn opgenomen.
Als de gemeente die benodigde zorgvuldigheid onvoldoende in acht neemt en het uit de overeenkomst voortvloeiende besluit om die reden onderuitgaat – met schade voor haar wederpartij tot gevolg – moet het oordeel luiden dat die overheid toerekenbaar is tekortgeschoten.
Eenzelfde uitkomst kende een zaak tussen de gemeente Almelo en een initiatiefnemer jegens wie de gemeente de inspanningsverplichting op zich had genomen een bouwvergunning met vrijstelling te verlenen. De gemeente is – aldus het hof12 – verplicht tot een voortvarende aanpak van de procedure, maar vervolgens heeft de gemeente de oorspronkelijk bij de privaatrechtelijke afspraken tot uitgangspunt genomen planning en de door haarzelf nader geformuleerde termijnen niet gehaald. De gemeente heeft met haar handelen onvoldoende rekening gehouden met de belangen van appellante. Het hof oordeelt dat de gemeente aldus niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan.
In een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland13 werd met succes een verklaring voor recht gevorderd dat de gemeente De Bilt tekort is gekomen in de nakoming van haar inspanningsverplichting uit een anterieure overeenkomst. In die overeenkomst heeft de gemeente de verplichting op zich genomen het bouwplan van eiser via een planologische bestemmingswijziging mogelijk te maken. Op de gemeente rustte een inspanningsverplichting om dat doel op voortvarende wijze via de vereiste bestuursrechtelijke procedures te bereiken. Gelet op een exoneratiebeding was de gemeente slechts aansprakelijk voor vernietigde besluiten indien zij ‘aantoonbaar nalatig is geweest’. Bij de daaropvolgende besluitvorming (bestaande uit meerdere besluiten) heeft de gemeente onder andere ‘heldere aanwijzingen’ van de Afdeling niet opgevolgd met vernietiging van het besluit tot gevolg. Die fout ‘getuigt van evidente en vermijdbare onzorgvuldigheid en moet daarom als aantoonbare nalatigheid […] worden aangemerkt’.14 De gemeente is toerekenbaar tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst.
Een overheid moet bij het nakomen van inspanningsverplichtingen zorgvuldigheid betrachten. Dit betekent dat zij eenvoudige fouten vermijdt, zichzelf gestelde termijnen nakomt en rekening houdt met de belangen van haar wederpartij.
Voor resultaatgerichte (eenzijdige) toezeggingen is de beantwoording van de vraag of zij zijn nagekomen makkelijker.15
Zo speelde in een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden16 de vraag of de gemeente Groningen een schadevergoeding was verschuldigd voor de beëindiging van een huurovereenkomst met projectontwikkelaar Spring’s. In haar inleidende dagvaarding heeft de gemeente geschreven dat zij de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:310 BW wilde ontbinden. Zij heeft aangegeven bereid te zijn conform artikel 7:310 lid 2 BW aan Spring’s een schadeloosstelling te voldoen. De gemeente wilde van dit laatste standpunt terugkomen. Het hof oordeelt dat dit in rechte ingenomen standpunt van een overheidsorgaan als een toezegging kan worden aangemerkt, waarvan de gemeente niet zomaar kan terugkomen.17
Een gemakkelijke beantwoording van de vraag of de overheid haar toezegging is nagekomen is tevens te vinden in een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland uit 2021.18 De gemeente Heiloo had aan de Stichting Theater De Beun in verband met het overnemen van de exploitatie van het theater een brief gestuurd waarin zij heeft toegezegd dat de theatermanager zijn functie ‘zal kunnen blijven uitoefenen op dezelfde voorwaarden en met behoud van alle rechten & plichten zoals hij die bij de stichting had’. Ook heeft de gemeente in het aanstellingsbesluit aangekondigd dat een van de eisen bij aanbesteding voor de exploitatie van het theater zal zijn dat de manager in de nieuwe organisatie dezelfde functie behoudt. Dit heeft de gemeente ook opgenomen in de aanbestedingsleidraad. Uiteindelijk heeft de gemeente die eis in de aanbesteding laten vallen. Dit samenstel van omstandigheden leidt er volgens de rechtbank toe dat het aanstellingsbesluit niet anders kan en moet wor-den uitgelegd dan dat de gemeente een in rechte te honoreren toezegging heeft gedaan jegens eiser dat hij zou overgaan naar de nieuwe exploitant onder gelijke rechten en verplichtingen als hij bij de gemeente had.19 Het verweer van de gemeente dat slechts sprake was van een inspanningsverplichting wordt niet gehonoreerd. Door haar toezegging niet na te komen, heeft de gemeente – aldus de rechtbank – in strijd gehandeld met verschillende beginselen van behoorlijk bestuur, meer concreet het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.20
Tot slot valt te wijzen op een zaak over de verplaatsing van Rederij Eureka van De Worp naar de stadszijde van de IJssel.21 Als gevolg van rechtmatige publiekrechtelijke besluitvorming is de ligplaats van Rederij Eureka verdwenen. De Rederij stelt dat de gemeente Deventer tijdens een gerelateerde procedure bij de Afdeling een rechtens afdwingbare toezegging heeft gedaan dat zij, naast het treffen van feitelijke maatregelen met betrekking tot de inrichting van een alternatieve locaties, de schade zal vergoeden die redelijkerwijs niet voor rekening van de Rederij behoort te blijven. De rechtbank komt op basis van brieven over de omvang van de schade en de communicatie tussen de Rederij en de gemeente tot het oordeel dat de gemeente inderdaad een toezegging heeft gedaan die zij moet nakomen.
Indien een toezegging resultaatgericht is, is – nadat de inhoud van de toezegging is vastgesteld – de vraag of zij is nagekomen vaak gemakkelijk met een ja of nee te beantwoorden.