De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/2.5:2.5 Conclusie
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/2.5
2.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174161:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1811, in de Franse tijd, werd de rechterlijke organisatie in Nederland grondig herzien. Rechtspraak was voortaan vrijwel voorbehouden aan beroepsrechters, die aan de hand van uniforme procedures recht toepasten dat in het hele land gelijk was. Maar niet alles veranderde: rechtspraak bleef vooral een collegiale aangelegenheid. De vrede- en later kantonrechtspraak vormden hierop een uitzondering, evenals de kortgedingrechtspraak. Verder verrichten rechters-commissarissen onderzoek en oefenden zij controle uit. Het aandeel in de rechtspraak van deze unusrechters was echter beperkt.
Het instituut van de alleensprekende rechter maakte in de twintigste eeuw echter een gestage opmars door. Dat gebeurde onder druk van achterstanden bij de gerechten en, in mindere mate, door nieuwe inzichten over de benadering van rechtzoekenden. Geleidelijk aan werden de bevoegdheden van de alleensprekende rechter in het strafrecht en civiel recht uitgebreid. Nog meer revolutionair was de introductie van nieuwe unusrechters: de politierechter, de kinderrechter en de rolrechter.
Vanaf de jaren zeventig raakte de groei van de alleenrechtspraak in een stroomversnelling. De hoofdregel was nog steeds meervoudige behandeling – behalve voor zaken bestemd voor een institutionele unusrechter zoals de kantonrechter – maar gerechten zagen alleenrechtspraak als een adequate manier om het sterk groeiend aantal zaken het hoofd te bieden. De discussie die deze trend opriep was van andere aard dan voorheen. Terwijl in de negentiende eeuw het debat over meervoudige en enkelvoudige rechtspraak zich nog vooral concentreerde op de kwaliteiten die men aan colleges en kantonrechters toedichtte, ging het in de loop van de twintigste eeuw steeds meer over de doelmatigheid van de rechtspleging.
De stijging van het aantal zaken zette in de jaren tachtig door, wat rechtbanken ertoe bracht om verreweg de meeste zaken enkelvoudig af te gaan doen. Hier volgde de wet de praktijk, want in 1988 werd unusrechtspraak de regel in civiele zaken in eerste aanleg. Strafzaken gingen en gaan in beginsel nog steeds naar een meervoudige kamer, tenzij het eenvoudige zaken betreft waarin niet meer dan een jaar celstraf wordt geëist (tot 2003 was dat een half jaar). In de praktijk betekende dit dat de politierechter vanaf de jaren tachtig meer dan tachtig procent van de strafzaken in eerste aanleg voor zijn rekening heeft genomen. Ook in hoger beroep en cassatie drongen veranderingen door. De gerechtshoven werden in 1987 bevoegd om in eerste aanleg enkelvoudig behandelde personen- en familiezaken door een unus af te laten doen. De Hoge Raad kon vanaf dat jaar zaken in kamers van drie gaan behandelen.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw uitten rechters steeds vaker zorgen over het behoud van de kwaliteit van de rechtspraak. De grote instroom van zaken en het op productie gerichte financieringsmodel, dat veel ruimte gaf aan alleenrechtspraak, gaven daar aanleiding toe. In reactie daarop werden maatregelen genomen die de kwaliteit van de rechtspraak moesten verbeteren, waaronder ruimere toedeling aan meervoudige kamers en normen voor meelezen van enkelvoudige uitspraken. Ook werden de meeste meervoudige zaken ruimer gefinancierd, zodat enkelvoudige behandeling voor gerechten niet per definitie rendabeler was. Bij een aanzienlijk aantal rechters bleef echter onvrede ontstaan over de ervaren productiedwang en bevoogding door gerechtsautoriteiten. Zij vreesden dat die zou leiden tot afkalving van de kwaliteit van de rechtspraak. In 2013 bundelden zij hun kritiek in het zogeheten Leeuwarder Manifest, waarover meer in paragraaf 9.3.1.