Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/2.1
2.1 Een nieuwe rechterlijke organisatie
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174166:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Van Boven 1990, p. 243, 252; Van Heukelom 1859, p. 62, 83-86, 89.
Wet van 28 april 1835, Stb. 1835, 10 (Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, Wet RO), in werking getreden in 1838. Al in 1827 was een voorganger van deze wet aangenomen (de Wet op de zamenstelling van de regterlijke macht en het beleid der justitie, Stb. 1827, 20), maar als gevolg van de Belgische opstand van 1830 en de nasleep daarvan is die nooit in werking getreden.
De wet van 1835 leek op die van 1827, maar er waren ook verschillen. De wet van 1835 bracht bijvoorbeeld het aantal leden van de meervoudige kamers terug, onder meer omdat ‘anderszins de werkzaamheden der arrondissements-regtbanken zouden kunnen worden belemmerd’. De strafkamers bij de hoven werden eveneens kleiner dan in 1827 voorgeschreven, maar nog steeds achtte de wetgever ‘dien waarborg in het belang van den beschuldigde genoegzaam’ (Kamerstukken II 1834-1835, IX, nr. 3, p. 283-284).
Waar naar rechters en griffiers wordt verwezen met ‘hij’, ‘hem’ en ‘zijn’, moet vanzelfsprekend ook ‘zij’ en ‘haar’ worden gelezen.
Verrest 2011, p. 344-346. In deze paragraaf wordt alleen over de rechter-commissaris in strafzaken verhaald. Ook in de civiele rechtspraak functioneert sinds jaar en dag een rechter-commissaris, maar de oorsprong van deze rechter is mij onbekend. Voor de voorzieningenrechter, zie paragraaf 2.3.
Zie over de vrederechter en kantonrechter: Van Dapperen 1991 en Ten Raa 1970.
Lokin & Jansen 1995, p. 113; Ten Raa 1970, p. xxix-xxxii.
Het gaat vooral om handelingen die tegenwoordig door de notaris worden verricht. Destijds waren niet in alle gemeenschappen voldoende notarissen gevestigd.
Erkens 2013, p. 41; Lokin & Jansen 1995, p. 113-115.
M.J. Pijnappel, ‘Of en zoo ja, binnen welke grenzen, rechtspraak in civiele en strafzaken kan worden toevertrouwd aan den alleenrechtsprekenden rechter’, in: Handelingen NJV 1870-I, p. 27-28; aangehaald in: Lokin & Jansen 1995, p. 115-116; Van Heukelom 1859.
Lokin & Jansen 1995, p. 117.
Lokin & Jansen 1995, p. 116-128; Drabbe 1959, p. 549-558.
In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd bij het Franse Keizerrijk en een jaar later kwam een nieuwe regeling van de rechterlijke organisatie tot stand. Deze was op Franse leest geschoeid. Rechtspraak was voortaan voorbehouden aan beroepsrechters en niet meer aan lekenrechters, zoals schepenen en drosten. Ook werd sindsdien in het hele land hetzelfde recht gesproken en werden dezelfde procedures toegepast. De keizer stelde bij decreet arrondissementen in, die weer onderverdeeld werden in kantons. Elk kanton kreeg een vredegerecht, waar een alleensprekende vrederechter rechtsprak. Deze oordeelde over kleine vorderingen en overtredingen. In de hoofdplaatsen van de kantons traden de vrederechters tevens op als ‘rechtbank van enkele politie’; in de overige gemeenten kwam deze taak aan de maire of burgemeester, bijgestaan door twee bijzitters.1 De overige gerechten, zoals de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, het hof van assisen, en het hooggerechtshof in Den Haag, waren alle meervoudige colleges.
Met de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 groeide het verlangen naar een rechtsstelsel dat niet meer op het Franse systeem was geënt. Uiteindelijk trad in 1838 een nieuwe wet op de rechterlijke organisatie in werking die de rechterlijke macht opdroeg aan kantongerechten, arrondissementsrechtbanken, provinciale hoven (in 1876 vervangen door gerechtshoven) en een hoge raad.2 Collegiale rechtspraak was daarin de regel. De wet bepaalde dat arrondissementsrechtbanken in burgerlijke en strafzaken met ‘oneffen getal’ rechtspraken, doch ten minste met drie rechters, de provinciale hoven in burgerlijke zaken en lichte strafzaken met vijf raadsheren en in zware strafzaken met zes, waarbij zij slechts een veroordeling konden uitspreken met meerderheid van stemmen; en de Hoge Raad in burgerlijke en strafzaken in beginsel met zeven raadsheren, maar in strafzaken tegen hoge ambtsdragers met tien. Ook de Hoge Raad kon slechts veroordelen met meerderheid van stemmen.3
Drie ambten bestonden als enkelvoudige kamer: de rechter-commissaris, de kantonrechter en de voorzieningenrechter. De rol van de rechter-commissaris was primair die van onderzoeksrechter, maar hij controleerde ook het onderzoek en de beslissingen van de politie en de aanklager.4 Door deze dubbelrol heeft de rechter-commissaris lange tijd aan kritiek blootgestaan.5
Over de kantonrechter is nog meer dan over de rechter-commissaris debat gevoerd en daarin speelde de eenhoofdigheid van het ambt een grote rol. Kantongerechten namen in de Wet RO van 1838 goeddeels de functie van de vredegerechten over.6 De kantonrechter verwierf rechtsmacht in kleine civiele en handelszaken, overtredingen en sinds 1854 ook in enkele ‘wanbedrijven’ als kleine diefstallen. Het ambt was in die dagen weinig populair. Dat was voor een aanzienlijk deel te wijten aan de houding van de wetgever, die de kantonrechter van meet af aan met wantrouwen had bezien.7 De wetgever had de kantonrechter weinig bevoegdheden toebedeeld en gunde hem niet meer dan een karige vergoeding. Kantonrechters werden slechts aangesteld voor de duur van vijf jaar. Een juridische opleiding was niet vereist om het ambt te bekleden; de kantonrechter werd door de Kroon benoemd na selectie uit ‘de kundigste, bekwaamste, gegoedste en meest geachte ingezeten’ (art. 35 Wet RO (oud)). Onder deze omstandigheden was het geen verrassing dat het ambt niet altijd door de meest kundige personen werd bekleed, wat weer gevolgen had voor het vertrouwen van rechtzoekenden in de kantonrechtspraak. Pas vanaf 1874 kwam hier langzaam verandering in toen de kantonrechter bevoegd werd tot vrijwillige rechtspraak, waarbij hij rechterlijke handelingen kon verrichten anders dan voor de berechting van een geschil.8 De wetgever achtte hem, als unusrechter, daartoe geschikt door de informele wijze waarop de kantonrechter en rechtzoekende met elkaar in overleg konden treden. Ook de grote nabijheid tot de burger en de snelle afdoening van de zaak werden als voordeel gezien. Het succes van de vrijwillige rechtspraak droeg bij aan de status van het ambt. Vanaf 1877 werd de kantonrechter voor het leven benoemd. Ook ging zijn salaris omhoog en werd het ambt enkel opengesteld voor juristen.9
Criticasters van de kantonrechter hadden voorheen betoogd dat de kwalen waaraan het ambt van kantonrechter zou leiden, konden worden verholpen door collegiale behandeling. Toch waren er ook pleidooien voor uitbreiding van de alleenrechtspraak te horen, onder meer in een dissertatie en een preadvies voor de in 1870 opgerichte Nederlandse Juristen-Vereniging (NJV).10 Hierin werd betoogd dat in eerste aanleg alle civiele zaken door een unus moesten worden behandeld, aangezien die garant stond voor snelle afdoening van eenvoudige zaken, met weinig vormen en tegen geringe kosten. In de jaren na 1877, toen de kantonrechter als volwaardig ambt werd erkend, raakten de voorstanders van alleenrechtspraak verdeeld over de toekomst van de unus iudex. De ene groep pleitte voor uitbreiding van de bevoegdheden van de kantonrechter. De andere wilde de kantongerechten opheffen en de arrondissementsrechtbanken verplichten tot enkelvoudige behandeling van zaken. De meerderheid van de leden van de NJV bleek in een vergadering in 1895 tegen uitbreiding van de bevoegdheden van de kantonrechter te zijn. Een nog grotere meerderheid was tegen invoering van de unus in de rechtbanken.11 Het verzet bleek vergeefs: begin twintigste eeuw werd de kantonrechter tevens bevoegd in arbeids-, huurkoop en huurzaken12 en ook de introductie van de unus in rechtbanken zou niet lang op zich laten wachten. De discussies over de kantonrechter en alleenrechtspraak in de NJV, die Lokin & Jansen en Drabbe uitvoerig bespreken, vallen nog in andere zin op. In de negentiende eeuw ging het debat voornamelijk over de kwaliteiten die men aan kantonrechters en colleges toedichtte, terwijl in de loop van de twintigste eeuw steeds meer over doelmatigheid van de rechtspleging zou worden gesproken.13