Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/2.3
2.3 Opmars van enkelvoudige rechtspraak
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174215:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Wesseling-van Gent 1986, p. 758; Drabbe 1959, p. 524-525.
Hierna stabiliseerde dit aandeel zich rond dit percentage (bronnen: CBS en WODC, Criminaliteit en rechtshandhaving, jaren 1999, 2001, 2004, 2007, 2014).
Kramer 2001, p. 14-15.
Verwoerd & Van Teeffelen 1985, p. 31-32.
Gegevens afkomstig uit: Wesseling-van Gent 1986, p. 768. Verstekzaken werden in die jaren bij beide rechtbank nagenoeg altijd enkelvoudig afgedaan.
Hofhuis vertelt uit eigen ervaring over de overgang van meervoudige naar enkelvoudige rechtspraak: ‘Toen ik in 1977 als gerechtsauditeur begon, werden in Utrecht alle civiele rolzaken op tegenspraak meervoudig afgedaan. […] In 1996, bij mijn vertrek, werd het overgrote deel van de rolzaken in eerste aanleg enkelvoudig afgedaan. […] Overal is het zo gegaan. De Utrechtse rechtbank is zelfs vrij laat ‘omgegaan’’ (2000, p. 149-150).
Staatscommissie 1982.
Staatscommissie 1984, p. 6-7. Een minderheid in de staatscommissie was van mening dat ook in eerste aanleg collegiale rechtspraak regel diende te zijn, temeer daar de rechter steeds meer tot controleur van bestuur en wetgever was geworden. Een oordeel van de meervoudige kamer zou op meer vertrouwen van rechtzoekenden kunnen rekenen.
Staatscommissie 1984, p. 7.
Staatscommissie 1982, p. 6-7.
Van Velthoven 2002, p. 9-13, 17-22; Klijn, Kester & Huls 1992, p. 32.
Wet van 21 mei 1986, Stb. 1986, 286.
Wet van 28 april 1988, Stb. 1988, 206.
Kamerstukken II 1984-1985, 19099, nr. 1-3, p. 7. Zie ook: Hofhuis 2000, p. 150; Wesseling-van Gent 1986, p. 769.
Wet van 1 april 1987, Stb. 162; Wesseling-van Gent 1986, p. 769, 773-774.
Kamerstukken II 1988-1989, 21.206, nr. 2, p. 31-36.
De Jongste & Decae 2010; Dijksterhuis, Jacobs & De Jongste 2003.
Van der Horst & Wesselink 2000, p. 410-411.
Wet van 4 juli 2002, Stb. 2002, 355. Zie ook paragraaf 10.5.
De Rechtspraak. Jaarverslag 2004, p. 37.
Medio jaren vijftig was het aandeel enkelvoudige behandelingen in civiele zaken al gestegen tot circa 35 procent van het totaal, al werden zaken op tegenspraak nog hoofdzakelijk collegiaal behandeld.1 In de jaren zeventig groeide het aantal rechtszaken flink en ook de unusrechtspraak kwam in een stroomversnelling. Sinds die tijd werden strafzaken zelfs merendeels enkelvoudig afgedaan. De politierechter nam in 1982 maar liefst 84 procent van de strafzaken in eerste aanleg voor zijn rekening.2 Ook het aantal uitspraken in kort geding nam een hoge vlucht. Tot aan het begin van de twintigste eeuw was nauwelijks gebruik gemaakt van de kortgedingprocedure. Dat zou te wijten zijn aan artikel 257 Rv (artikel 292 Rv (oud)) waarin bepaald is dat beslissingen bij voorraad geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale. Presidenten ervoeren deze voorwaarde als een sterke beperking van hun bevoegdheid, waardoor ze geneigd waren zich onbevoegd te verklaren zodra het voor hun beslissing nodig was vooruit te lopen op de bodemprocedure. In de twintigste eeuw gingen rechters de bepaling anders lezen, namelijk dat zij zich alleen tot de bodemrechter richtte, in die zin dat deze niet gebonden was aan het vonnis in kort geding. Ook de extensieve uitleg die aan de onrechtmatige daad is gegeven, de mogelijkheid tot instelling van een verbodsactie bij dreigend onrechtmatig handelen en de invoering van de dwangsom hebben tot een groei van het aantal kortgedingprocedures geleid. Daarnaast hebben sociologische factoren als de grotere vraag naar rechtsbedeling en de duur en kosten van bodemprocedures aan deze ontwikkeling bijgedragen.3
Het aandeel enkelvoudige behandeling in civiele zaken op tegenspraak steeg tussen 1971 en 1979 van 26 naar circa 60 procent, hoewel de wijzen van afdoening tussen de rechtbanken behoorlijk uiteenliepen.4 Zie bij wijze van voorbeeld de verschillen in enkelvoudige afdoening tussen de rechtbanken te Groningen en Amsterdam (tabel 2.1).5
Tabel 2.1 Percentage enkelvoudige behandeling van civiele zaken op tegenspraak in de rechtbanken te Groningen en Amsterdam in de jaren 1972, 1977 en 1982
1972
1977
1982
Groningen
4,0
13,2
11,8
Amsterdam
4,0
40,5
47,3
Door de wettelijke regeling van destijds konden daarvoor in aanmerking komende zaken door één rechter worden behandeld, maar het uitgangspunt was nog steeds meervoudige afdoening.6 Deze regeling bleek in de praktijk zonder noemenswaardige problemen te functioneren. De staatscommissie die zich boog over een herziening van de rechterlijke organisatie adviseerde om voortaan van enkelvoudige rechtspraak in eerste aanleg uit te gaan, hoewel ze op grond van een vergelijking tussen alleen- en collegiale rechtspraak7 vond dat de laatste in beginsel de voorkeur verdiende.8 De staatscommissie gaf tevens te kennen dat een belangrijk deel van de zaken meervoudig zou moeten worden behandeld, vanwege de juridische of feitelijke complexiteit van de zaken of omdat de opleiding van minder ervaren rechters daarom vroeg.9 Alleenrechtspraak in hoger beroep wees de staatscommissie categorisch af. Het risico dat de appelrechtspraak zou inboeten aan kwaliteit en overtuigingskracht, zowel ten aanzien van justitiabelen als de rechter in eerste aanleg, woog niet op tegen de kostenbesparing.10
De rechtspraak kreeg in de eerste helft van de jaren tachtig met een verdere stijging van het aantal zaken te maken; daarna zwakte de groei af tot aan het eind van het decennium weer een spurt werd ingezet.11 Ook de alleenrechtspraak zette haar opmars voort. De Hoge Raad probeerde het hoofd te bieden aan de stortvloed aan zaken door het aantal raadsheren uit te breiden. De wetgever schoot in 1986 te hulp door afdoening in kamers van drie mogelijk te maken. Ook werd een enkelvoudige kamer ingesteld voor het houden van rolzittingen (de rolraadsheer), waarmee de behandeling in cassatie een meer schriftelijk karakter kreeg.12
Daar bleef het niet bij, want in 1988 werd de hoofdregel van artikel 288a Rv (oud) omgekeerd, waardoor civiele zaken in eerste aanleg in principe enkelvoudig zouden worden afgedaan.13 De alleensprekende rechter zou wel zaken naar de meervoudige kamer mogen blijven verwijzen, als hij die ongeschikt achtte voor behandeling door één rechter. Opvallend was dat de minister van Justitie in zijn verdediging van het wetsvoorstel erop wees dat de omkering van de hoofdregel zou kunnen bijdragen tot verdere ontwikkeling van de enkelvoudige rechtspraak in eerste aanleg. Daarmee liet hij merken unus-rechtspraak te waarderen en te willen bevorderen. Anders dan eerder in de discussie over de politie- en de kinderrechter gebeurde, werden daarvoor geen inhoudelijke argumenten aangevoerd. Enkelvoudige rechtspraak betrof, zo is te lezen in de memorie van toelichting, ‘een doelmatiger aanwending van het gerechtelijke apparaat.’14
De gerechtshoven hadden in de jaren tachtig eveneens te kampen met overbelasting. Daarom werd het in 1987 mogelijk om personen- en familiezaken in hoger beroep naar een enkelvoudige kamer te verwijzen, tenzij zij in eerste aanleg meervoudig waren afgedaan.15 Twee jaar later stelde de regering voor om het hoger beroep in alle enkelvoudige civiele en strafzaken te laten behandelen door een meervoudige appelkamer van de rechtbank en niet meer door het hof. De zaaksrechter van de eerste aanleg zou vanzelfsprekend geen deel uitmaken van de appelkamer. Zaken die de rechtbank meervoudig had behandeld zouden in hoger beroep nog steeds naar het hof gaan. Het voorstel zou ertoe moeten leiden dat de hoven zich nog uitsluitend bezig hoefden te houden met ingewikkelde, zware en principiële zaken, waardoor ze beter en efficiënter ingezet konden worden.16 Het voorstel heeft het niet gehaald.
Zo’n tien jaar lang leek de behoefte aan meer wettelijke armslag om enkelvoudig te zitten bevredigd. In 1998 kwam daar verandering in, toen de regering een wetsvoorstel indiende om de bevoegdheid van de politierechter uit te breiden. Voortaan zou die gevangenisstraffen van maximaal twaalf maanden mogen opleggen, waar voordien een maximum van zes maanden gold.17 In het voorstel werd erop gewezen dat politierechters vaker zitting houden dan meervoudige strafkamers, waardoor ze sneller in staat zijn eenvoudige strafzaken af te doen. Tegelijkertijd werd geattendeerd op de onwenselijke praktijk om zaken die in aanmerking komen voor meervoudige behandeling uit capaciteitsgebrek voor te leggen aan de politierechter. Al in 1993 had de toenmalige minister van Justitie Hirsch Ballin opdracht gegeven tot het voorbereiden van een wettelijke regeling om de bevoegdheid van de politierechter te verruimen, maar zijn opvolger Sorgdrager trok deze na haar aantreden in. Zij achtte het verkeerd om capaciteitsgebrek de wijze van rechtsbedeling te laten bepalen. Ook vond de minister het onwenselijk om enkelvoudig zittende rechters vrijheidsstraffen van meer dan zes maanden op te laten leggen.18 Onder Sorgdragers opvolger Korthals werd in 2002 de bevoegdheidsgrens ten slotte alsnog opgetrokken tot één jaar, ondanks negatieve adviezen van onder andere de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.19 Desondanks steeg het aandeel enkelvoudige behandeling in de strafkamer de jaren daarna niet noemenswaardig, mogelijk door een toename van de zwaarte van de tenlastelegging en de straftoemeting.20