RvdW 2026/30:Miljoenenzwendelzaak. Oplichting, meermalen gepleegd (art. 326 lid 1 Sr), (medeplegen) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225 lid 1 en art. 225 lid 2 Sr) en gewoontewitwassen (art. 420ter jo. art. 420bis lid 1 onder b Sr) door zich met zijn eenmanszaak aan evenementenbedrijf (poppodium) aan te bieden als tussenpersoon die optredens van bekende artiesten kan regelen en dat bedrijf te laten geloven dat voor het boeken van die artiesten een ‘3-fasensysteem’ geldt, waarbij in elke opvolgende fase opnieuw geld ingelegd moet worden om mee te dingen naar optreden. 1. Redelijke termijn in hoger beroep, HR geeft in aanvulling op HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis handvatten voor beoordeling van redelijke termijn in feitelijke aanleg in geval van gedeeltelijke voorlopige hechtenis. Is 16-maandentermijn of 2-jaarstermijn van toepassing, nu verdachte zich deel van behandeling in h.b. (ongeveer 22 maanden) in voorlopige hechtenis bevond, terwijl hij tussen instellen van h.b. en ’s hofs uitspraak ruim 48 maanden van bijna 71 maanden in vrijheid heeft doorgebracht? 2. Kon hof geen beslissing nemen over inbeslaggenomen rolkoffer en rugtas, omdat deze voorwerpen niet op beslaglijst staan vermeld? 3. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis m.b.t. beperkte toetsing in cassatie van oordeel van feitenrechter inzake redelijke termijn en gevallen waarin sprake is van overschrijding van redelijke termijn. Als verdachte gedurende deel van procesfase (tussen (i) moment dat redelijke termijn aanvangt tot einduitspraak in e.a., dan wel (ii) moment dat rechtsmiddel wordt ingesteld tot einduitspraak in hoger beroep) van zijn vrijheid is benomen omdat hij zich i.v.m. zaak in voorlopige hechtenis bevindt, is het volgende van belang voor beantwoording van vraag van welke behandelduur (2 jaren of 16 maanden) de feitenrechter moet uitgaan. Als verdachte gedurende procesfase in totaal 16 maanden of langer heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis, dan moet feitenrechter uitgaan van duur van 16 maanden waarbinnen, na aanvang van redelijke termijn resp. instellen van rechtsmiddel, behandeling van zaak ttz. in betreffende instantie (e.a. of h.b.) in de regel met einduitspraak moet zijn afgerond. Niet bepalend is of verdachte in voorlopige hechtenis verbleef op dag dat 16 maanden zijn verstreken na aanvang van redelijke termijn resp. instellen van rechtsmiddel. Als tijd die verdachte tijdens procesfase in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht minder dan 16 maanden bedraagt, dan neemt rechter als uitgangspunt dat behandeling van zaak ttz. in betreffende instantie (e.a. of h.b.) in de regel met einduitspraak moet zijn afgerond binnen 2 jaren na aanvang van redelijke termijn resp. instellen van rechtsmiddel. Rechter kan daarvan echter afwijken (en dan kiezen voor uitgangspunt van afronding binnen 16 maanden) als verhouding tussen tijd die verdachte in betreffende procesfase in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en tijd waarin dat niet het geval is geweest, daartoe aanleiding geeft. Hiervoor laat zich geen algemene regel geven. Oordeel van feitenrechter hierover kan HR daarom alleen op begrijpelijkheid toetsen. Hof heeft vastgesteld dat redelijke termijn in h.b. is overschreden en heeft daarbij geoordeeld dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat behandeling van zaak in h.b. moest zijn afgerond binnen 2 jaren nadat rechtsmiddel was ingesteld. Dit oordeel is niet begrijpelijk, nu uit stukken blijkt dat verdachte zich tussen instellen van h.b. en uitspraak hof gedurende meer dan 22 maanden in voorlopige hechtenis bevond. HR doet zaak zelf af en vermindert (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) aan verdachte opgelegde gevangenisstraf van 5 jaren en 6 maanden met 3 maanden. Ad 2. Gelet op p-v van doorzoeking ter inbeslagneming van R-C zijn er aanwijzingen dat rolkoffer en rugtas in beslag zijn genomen. Hof had daarom beslissing moeten nemen over die rolkoffer en die rugtas. Dat die rolkoffer en rugtas niet op beslaglijst staan vermeld, doet daaraan niet af (vgl. HR 25 mei 2021, RvdW 2021/600). Volgt (partiële) vernietiging v.zv. hof heeft verzuimd te beslissen over beslag op rolkoffer en rugtas en terugwijzing. Ad 3. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 1 juni 2021, RvdW 2021/621). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 360 dagen kan worden toegepast.