Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/49
Militaire zaak. Wachtdelict door als wachtcommandant belast met beveiliging van kasteel tijdens nachtdienst op bank in ontspanningsruimte te gaan liggen en enige tijd te slapen, art. 107 lid 1 Wetboek Militair Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht t.a.v. ’s hofs oordeel dat verdachte ‘ook enige tijd heeft geslapen’. 2. Bewijsklacht voorwaardelijk opzet op het in slaap vallen. 3. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ‘gevaarzetting concreet moet zijn maar in dit dossier onvoldoende is geconcretiseerd’, art. 359 lid 2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. O.g.v. getuigenverklaringen heeft hof vastgesteld ‘dat verdachte tijdens nachtdienst van 30 oktober 2020 op 31 oktober 2020 enige uren aaneengesloten in het donker met zijn ogen dicht op bank in ontspanningsruimte heeft gelegen en dat verdachte daarbij ook enige tijd heeft geslapen’. Deze vaststellingen en gevolgtrekking dat verdachte enige tijd heeft geslapen, zijn gelet op de voor bewijs gebruikte getuigenverklaringen niet onbegrijpelijk. Van belang is daarbij o.m. dat getuige heeft verklaard dat zij verdachte heeft horen snurken en dat zij tot half 6 in de ochtend niets heeft vernomen over verdachtes aanwezigheid of aansturing in werkzaamheden. Bovendien heeft andere getuige verklaard dat verdachte steeds in het donker stil op bank lag en hoogstens bewoog om op zijn zij te draaien. Dat getuigen ‘sporadisch ontspanningsruimte in en uit liepen’, doet aan begrijpelijkheid van ’s hofs vaststellingen en daaraan verbonden gevolgtrekking niet af. Ad 2. Hof heeft overwogen dat verdachte ‘onder deze omstandigheden (tijdens nachtdienst, in het donker met gesloten ogen urenlang op bank gaan liggen, terwijl je je niet zo lekker voelt) bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in slaap zou vallen’. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Daartoe is mede van belang dat hof de verklaring van verdachte ttz. in hoger beroep voor bewijs heeft gebruikt, inhoudende ‘dat hij regelmatig tijdens nachtdiensten op bank ging liggen’, dat hij zich tijdens nachtdienst van 30 oktober 2020 op 31 oktober 2020 niet zo lekker voelde en dat hij toen jong kind had, ‘wat hem in combinatie met nachtdiensten veel energie kostte’. Ad 3. Hof heeft duidelijk gemotiveerd dat en hoe verdachte zich ongeschikt heeft gemaakt voor de op hem rustende bijzondere verplichting betreffende waakzaamheid of veiligheid en dat hierdoor als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg schade te duchten is geweest voor bestrijding van gemeen gevaar voor personen en goederen dan wel veiligheid. Hof heeft dat gevaar ook nader aangeduid en heeft inzichtelijk gemaakt dat dit ontstond doordat verdachte niet voortdurend in staat is geweest adequaat te reageren op eventuele calamiteiten omdat hij aan het slapen was. Hof heeft bovendien vastgesteld dat integriteit van kasteel en haar bewoonster op die momenten niet te waarborgen is geweest. Gelet hierop heeft hof i.h.b. redenen opgegeven waarom het van uos van raadsman is afgeweken. Hof was niet gehouden in te gaan op ieder detail van argumentatie, zoals punt dat verdachte tijdens diensten die buiten de bewezenverklaarde periode vallen niet in slaap is gevallen of zich op andere wijze ongeschikt heeft gemaakt voor de op hem rustende bijzondere verplichting betreffende waakzaamheid of veiligheid. Volgt verwerping.
HR 25-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1768
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 november 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, M. Kuijer
- Zaaknummer
24/03917
- Conclusie
A-G mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Bijzonder strafrecht / Militair strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1768, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:830, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Essentie
Militaire zaak. Wachtdelict door als wachtcommandant belast met beveiliging van kasteel tijdens nachtdienst op bank in ontspanningsruimte te gaan liggen en enige tijd te slapen, art. 107 lid 1 Wetboek Militair Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht t.a.v. ’s hofs oordeel dat verdachte ‘ook enige tijd heeft geslapen’. 2. Bewijsklacht voorwaardelijk opzet op het in slaap vallen. 3. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ‘gevaarzetting concreet moet zijn maar in dit dossier onvoldoende is geconcretiseerd’, art. 359 lid 2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. O.g.v. getuigenverklaringen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.