Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/14
De Hoge Raad geeft handvatten voor het bepalen van de redelijke termijn in feitelijke aanleg als de verdachte een deel van een procesfase in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
HR 25-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1775
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 november 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, C. Caminada, T. Kooijmans, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/02656
- Conclusie
A-G mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1775, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:811, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑10‑2023
- Wetingang
Art. 6 EVRM
Essentie
Overschrijding redelijke termijn in feitelijke aanleg. De verdachte bevond zich tijdens de behandeling in eerste aanleg ruim dertien maanden in voorlopige hechtenis en bracht de resterende periode van ruim 42 maanden in vrijheid door. Welke termijn geldt dan voor het bepalen van de redelijke termijn?
Samenvatting
Als de verdachte gedurende een deel van een procesfase — dat wil zeggen: tussen (i) het moment dat de redelijke termijn aanvangt tot de einduitspraak in eerste aanleg, dan wel (ii) het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld tot de einduitspraak in hoger beroep — van zijn vrijheid is benomen omdat hij ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.