Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/6
Prejudiciële beslissing op voet art. 392 Rv. Verbintenissenrecht. Huurrecht. Ontruiming woning waarin ook kinderen wonen; betekenis art. 3 lid 1 IVRK; belang van het kind. Stelplicht en bewijslast; taak rechter.
HR 28-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1799
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28 november 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, G.C. Makkink
- Zaaknummer
24/04220
- Conclusie
A-G mr. G.R.B. van Peursem
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Algemeen
Huurrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Huurrecht / Huur van woonruimte
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1799, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:728, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑06‑2025
- Wetingang
Samenvatting
Art. 3 lid 1 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Uit de tekst van art. 3 lid ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.