RvdW 2026/33:Bedreiging van voormalige burgemeester door e-mailbericht te sturen naar gemeente, art. 285 lid 1 Sr. Vordering benadeelde partij en oplegging schadevergoedingsmaatregel, vergoeding van immateriële schade (art. 6:106.a BW). Was oogmerk van verdachte gericht op toebrengen van immateriële schade? O.g.v. art. 6:106.a BW heeft b.p. recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade als aansprakelijke persoon het oogmerk had om zodanige schade toe te brengen. Deze bepaling strekt er in het bijzonder toe geschokt rechtsgevoel te bevredigen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om beschadigen of vernielen van zaak met oogmerk daarmee immateriële schade toe te brengen. Onder hier bedoeld ‘oogmerk’ moet worden verstaan bedoeling om ander immateriële schade toe te brengen. Daarvoor volstaat niet dat verdachte opzettelijk situatie heeft geschapen waardoor aan b.p. immateriële schade is toegebracht (vgl. HR 18 juni 2024, RvdW 2024/655). Hof heeft over vordering tot vergoeding van immateriële schade a.g.v. bewezenverklaarde bedreiging overwogen dat bij b.p. redelijke vrees is ontstaan door bewezenverklaard handelen van verdachte en ‘dat verdachte het oogmerk heeft gehad om nadeel, namelijk angst, toe te brengen’. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat gevorderde immateriële schade o.g.v. art. 6:106.a BW deels voor vergoeding in aanmerking komt, is (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet toereikend gemotiveerd. Uit ’s hofs vaststellingen volgt immers niet zonder meer dat oogmerk van verdachte was gericht op toebrengen van immateriële schade. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.