Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.4.3.5
4.4.3.5 Boek over onderwijsvernieuwingen
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949578:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Commissie van beroep mbo 18 mei 2020, nrs. 109096/109149, Rechtbank Gelderland 8 september 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4638, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3667 en Kamerstukken II 2019/20, 3289, aanhangsel (Vragen van het lid Beertema (PVV) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht dat ROC Nijmegen af wil van een docente, omdat zij een kritisch boek over de gang van zaken op school had gepubliceerd). Zie over deze zaak ook: Buitin 2022b en Mohammad 2023 234
Zie over de schorsing Commissie van beroep mbo 18 mei 2020, 109096/109149.
Rechtbank Gelderland 8 september 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4638.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3667.
Rechtbank Gelderland 8 september 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4638, m.nt. Verhulp; JAR 2021/2.
Artikel 1 onderdeel d, onder 2°, van de Wet Huis voor Klokkenluiders.
Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2022:231.
Hoge Raad 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3713.
Een leraar aan een mbo-instelling werd geschorst en later ontslagen naar aanleiding van een boek dat zij schreef over de onderwijsvernieuwingen die zijn doorgevoerd op de instelling waar zij werkzaam was.1 Vooraf had de leraar aangekondigd dat zij het boek zou gaan schrijven en aangegeven dat zij verwachtte dit in alle vrijheid te kunnen doen. Daarop heeft het bevoegd gezag aangegeven dat aan deze vrijheid grenzen zitten die voortvloeien uit het goed werknemerschap, de gedragscode van de school en privacywetgeving. Van de leraar werd verwacht dat zij respectvol met studenten en docenten zou omgaan en dat vertrouwelijkheid van bepaalde informatie zou worden gerespecteerd. Een jaar later verscheen het boek “Wanneer krijgen we weer les. De opmerkelijke praktijk van gepersonaliseerd onderwijs”. Na de verschijning van het boek ontstond onrust in het team van de leraar. Een aantal collega’s hebben zich beklaagd over de wijze waarop zij tot de persoon herleidbaar waren neergezet. Vervolgens is de leraar geschorst en uiteindelijk ontslagen.2
De rechtbank heeft de arbeidsovereenkomst tussen de leraar en de mbo-instelling ontbonden omdat de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam is verstoord en herplaatsing van de leraar niet in de rede ligt.3 Het Hof komt tot dezelfde conclusie.4 De leraar heeft volgens het Hof vrijheid van meningsuiting, deze vrijheid is niet beperkt door het verzoek van de school om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat verzoek is geen reactie op de meningen verkondigd in het boek, maar op de gevolgen van de inhoud van het boek voor de verhoudingen binnen de school.
Bij de beoordeling of sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding weegt het Hof mee dat de leraar heel precies uitingen van collega’s heeft beschreven en dat de wijze van portretteren van haar collega’s een deel van deze collega’s diep heeft gekwetst. Ook is in elk geval één personage in het boek herleidbaar tot een specifieke collega. Het Hof rekent haar tevens zwaar aan dat ze bedrijfsgevoelige informatie openbaar heeft gemaakt. Het gaat om financiële informatie over een financieel verlies dat het team heeft geleden. Ten slotte heeft de leraar met de toon die ze heeft aangeslagen op social media weinig oog gehad voor de gevoelens van haar collega’s. Dit heeft de arbeidsverhouding verder verstoord. Anders dan de rechtbank oordeelt het Hof dat de school een billijke vergoeding moet betalen vanwege ernstig handelen of nalaten van de werkgever. De school heeft zich onvoldoende ingespannen om na de ontstane commotie over het boek de verhoudingen te normaliseren. Het ontslag blijft evenwel in stand.
In een noot bij de uitspraak van de rechtbank schrijft Verhulp dat in deze zaak het spanningsveld speelt tussen enerzijds een organisatie die belang heeft bij een zekere beslotenheid waarbinnen nieuwe ideeën, verdienmodellen of bedrijfsculturen zich kunnen ontwikkelen en anderzijds het maatschappelijk belang om kennis te kunnen nemen van die ontwikkelingen.5 De werknemer is gehouden tot discretie en loyaliteit. Dit zou anders zijn als sprake is van een klokkenluider, dan zou onder meer sprake moeten zijn van een vermoeden van een misstand.6 Verhulp geeft aan dat het onderwerp van de uitingen van de leraar wel maatschappelijk relevant zijn. Ook zou wat hem betreft meegewogen moeten worden dat de werking van grondrechten ten aanzien van uitingen tolerantie met zich moet brengen, ook van collega’s en leidinggevenden.
In haar conclusie gaat advocaat-generaal bij de Hoge Raad (AG) De Bock uitgebreid in op de vraag of het Hof terecht tot de conclusie is gekomen dat in casu de vrijheid van meningsuiting niet in geding is.7 Zij concludeert dat het Hof heeft miskend dat het ontslag van de leraar niet los gezien kan worden van de publicatie van haar boek. Dit blijkt uit het feit dat de schorsing en het ontslag van de leraar een reactie vormen op de publicatie van het boek. De AG ziet de publicatie van het boek dan ook als een essentiële schakel in de causale keten die heeft geleid tot het ontslag van de leraar. Hierdoor is de vrijheid van meningsuiting dan ook in het geding. De Hoge Raad oordeelt vervolgens, conform de conclusie van de AG, dat het Hof heeft miskend dat door het ontslag geen sprake is van inmenging in de vrijheid van meningsuiting.8 Er bestaat een causaal verband tussen de publicatie van het boek en de schorsing en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak door naar het Hof ’s-Hertogenbosch.
In zijn arrest gaat het Hof ’s-Hertogenbosch op basis van het arrest van de Hoge Raad ervan uit dat het ontslag naar aanleiding van de publicatie van het boek een beperking van de vrijheid van meningsuiting van de docent oplevert, het is evenwel de vraag of deze beperking gerechtvaardigd is.9 Bij het beantwoorden van die vraag hanteert het Hof het in paragraaf 4.4.2 geschetste kader van het EHRM voor ontslag van werknemers in verband met een uiting. Het Hof oordeelt dat de aard en de motieven van de uiting verband houden met een publiek belang, namelijk het voeren van een maatschappelijke discussie over gepersonaliseerd onderwijs. Dat in dit boek kritiek wordt geuit op collega’s van de docent is in principe te rechtvaardigen, mits de fatsoensgrenzen niet worden overschreden. Dat is in casu volgens het Hof niet het geval. De tot collega’s herleidbare citaten zijn naar het oordeel van het Hof enigszins ongemakkelijk, maar niet beledigend. Vervolgens moet vastgesteld worden of de uitingen tot schade hebben geleid voor de werkgever, dit is naar het oordeel van het Hof niet aangetoond. Ten slotte wordt ingegaan op de zwaarte van de sanctie. Het Hof leidt uit jurisprudentie van het EHRM af dat ontslag een van de zwaarste sancties is, waar een “chilling effect” vanuit kan gaan voor de vrijheid die andere medewerkers voelen om hun mening te uiten. Gelet op de vrijheid van meningsuiting die aan de docent toekomt, had de werkgever zich meer moeten inspannen om de verhoudingen tussen de docent en de gekwetste collega’s te normaliseren. Schorsing en vervolgens ontslag was dan ook een te ingrijpend middel en niet gerechtvaardigd. De docent dient dan ook voor haar ontslag een billijke vergoeding te ontvangen.