Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.2.2
3.2.2 Schade
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715457:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Simester & Von Hirsch 2011, p. 36.
Machielse 2008, aant. 3.5; Hulsman 1972, p. 90.
De Hullu 2021, p. 16; Lestrade 2018, p. 134; Ten Voorde 2012a, p. 96; Cleiren 2007, p. 10; Lindenberg 2007, p. 71; Buruma 2003, p. 87; Haveman 1998, p. 38; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 34-35; Groenhuijsen 1993, p. 2; De Hullu 1993, p. 16-17; De Roos 1987, p. 48-49; De Hullu 1984, p. 81; Tak 1978, p. 3; Van Bemmelen 1973, p. 6 en 10; Bos 1971, p. 10-11; Van Hamel 1927, p. 171-172 en 176. Zie ook: Report on Decriminalisation 1980, p. 44. Ook auteurs die spreken over een schending van of inbreuk op een rechtsgoed zijn mijns inziens daaronder te rekenen (zie bijvoorbeeld: Lindenberg 2007, p. 84; Schaffmeister & Heijder 1983, p. 457; Van Eikema Hommes 1980, p. 168. Anders: Haveman 1998, p. 92-93). Het schadebeginsel is mijns inziens namelijk impliciet met de rechtsgoederentheorie verweven (vgl. Jescheck & Weigend 1996, p. 234; Von Liszt 1932, p. 144 en 176). Ook de wetgever lijkt het nut van het schadebeginsel te erkennen (Lestrade 2018, p. 134, voetnoot 7; Maris & Jacobs 2011, p. 290-291). Zie voor de Angelsaksische wereld ook: Simester & Von Hirsch 2011, p. 20 en 35; Husak 1995, p. 601-602; Packer 1969, p. 266. Cleiren waarschuwt echter dat het schadebeginsel recent terrein lijkt verliezen (Cleiren 2007, p. 21-22).
Zie bijvoorbeeld: Buisman 2020, p. 65; Wedzinga 1992, p. 214; De Roos 1987, p. 41; Van der Neut 1986, p. 136; Feinberg 1984, p. 13, 26-27; Hulsman 1972, p. 91; Bos 1971, p. 14 en 19-20. Zie ook: Berlin (1969) 2002, p. 179-181. Positiever zijn: Tak 1978; Van Bemmelen 1973, p. 10-13.
Strijards 1988, p. 32; Smidt 1891a, p. 429.
Harcourt 1999, p. 109-112.
Ten Voorde 2012a, p. 95, voetnoot 7; Ten Voorde 2012b, p. 67, voetnoot 13.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 68.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 53 en 54; Heinrich 2009, p. 104.
Uit de in §1.2.1 besproken Latijnse adagia volgt dat schade in de kern een effect is dat verwijtbaar wordt veroorzaakt, immers: nulla iniuria sine actione en nulla actio sine culpa.1 De gedachte dat iedere strafwaardige gedraging (gevaar voor) schade moet veroorzaken is afkomstig uit het Angelsaksische schadebeginsel.2 De belangrijkste auteur op het gebied van dat beginsel is de Engelse filosoof en utilist John Stuart Mill, wiens interpretatie van het schadebeginsel in §1.4.1 al werd geciteerd. Het schadebeginsel geeft antwoord op de vraag wanneer vanuit liberaal oogpunt een gedraging strafbaar mag worden gesteld. Die vraag is relevant, omdat iedere strafbaarstelling een inbreuk op de vrijheden van burgers maakt. Vanuit liberaal oogpunt moeten die inbreuken tot een minimum worden beperkt en zal de overheid aannemelijk moeten maken dat de inbreuk die zij met haar strafbaarstellingen maakt op de vrijheden van burgers opweegt tegen de inbreuk die daarmee wordt voorkomen.
De opvatting dat wederrechtelijk gedrag schade bij derden moet veroorzaken, wordt in de juridische literatuur breed gedragen.3 Alternatieve gronden voor strafbaarstelling, zoals paternalisme en moralisme, kunnen daarin niet op veel steun rekenen.4 De stelling dat de enkele wil om een misdrijf te plegen niet strafbaar zou moeten zijn, wordt bijvoorbeeld ook wel onderbouwd met een beroep op het zogenoemde juricentriebeginsel; het principe dat (straf)recht en moraal zoveel mogelijk van elkaar gescheiden moeten blijven.5 Het liberale uitgangspunt van individuele vrijheid brengt bovendien met zich mee dat het schadebegrip niet te ruim moet worden geïnterpreteerd. De afgelopen decennia is het schadebegrip in de Angelsaksische rechtsfilosofische literatuur echter steeds verder opgerekt, zodat het steeds meer soorten schade omvat.6 Een ruime interpretatie van het schadebegrip leidt weliswaar tot een meer flexibel en daarmee praktisch bruikbaarder schadebeginsel, maar roept ook het gevaar op dat (te) weinig grenzen aan overheidsmacht worden gesteld.7 Een ruimte interpretatie van het schadebegrip is dan ook niet minder gevaarlijk voor de vrijheden van burgers dan het rechtstreeks aanvaarden van (een beperkte vorm van) paternalisme.8
Het is wellicht goed om hier nog kort op te merken dat, hoewel in de literatuur over het schadebeginsel vaak ook gevaar voor schade wordt behandeld, de liberale invulling van het wederrechtelijkheidsbeginsel zich hier beperkt tot daadwerkelijke schade. Bij gevaar voor schade is immers in de kern sprake van een gebrek aan causaliteit. Dat is hiervoor in §2.2 al uitgebreid besproken in het kader van het daadstrafrechtbeginsel. Als nu binnen het bestek van het wederrechtelijkheidsbeginsel gevaar voor schade nogmaals aan bod komt, levert dat niet alleen een herhaling van zetten op, maar wordt mogelijk via een omweg ook afbreuk gedaan aan het daadstrafrechtbeginsel.9 Bovendien is het mijns inziens dogmatisch zuiverder om het vraagstuk van gevaar gescheiden te houden van het vraagstuk van strafwaardige gevolgen. Om die reden wordt de problematiek van gevaar voor schade hier niet opnieuw behandeld, maar wordt hierna gekeken naar de strafwaardigheid van de voltooide strafbare feiten waarvan de voorfase strafbaar is gesteld. Daarbij is, zoals gezegd, met name de aard (§3.2.2.1) en omvang (§3.2.2.2) van de schade relevant.
3.2.2.1 Aard van de schade3.2.2.2 Omvang van de schade