Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.5.4
8.5.4 Gerechtigdheid tot schadevergoedingsvorderingen jegens derden
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400846:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 609.
Om die reden komt art. 6:78 BW niet in beeld als oplossing voor dit vraagstuk. Zo echter De Bie Leuveling Tjeenk 1997, p. 210 en p. 235. Vanwege de fixerende werking van de risico-overgang leveren nadien ingetreden beschadigingen van de zaak immers geen tekortkoming op van de verkoper. Zie hiervoor in hoofdstuk 5, paragraaf 5.5. Zij biedt bovendien geen soelaas in geval van faillissement. Vgl. Du Perron 1999, p. 123.
Zie Bloembergen 1965, p. 247-278 en A.R. Bloembergen, ‘Verplaatsing van schade’, in: E.H. Hondius e.a. (red.), Quod Licet (Kleijn-Bundel), Deventer: Kluwer 1992, p. 19-31. Zie over de problematiek ook De Bie Leuveling Tjeenk 1997, p. 197 e.v.
Een oplossing wordt, anders dan Bloembergen 1965, p. 254 lijkt te suggeren, niet geboden door het leerstuk van abstracte schadeberekening. Kwestieus is immers niet zozeer de omvang van de schade, maar veeleer de vraag wie de schade lijdt. Ook bij zaaksbeschadiging komt men pas toe aan abstracte schadeberekening indien op zichzelf wel vaststaat dát de schade wordt geleden. Zie punt 4 van de noot van M.M. Mendel onder HR 26 oktober 2012, NJ 2013, 219 (Reaal/Athlon).
Bloembergen 1965, p. 271 en p. 273.
Zie voor de huurder HR 4 maart 1955 NJ 1955, 301. Zie ook De Bie Leuveling Tjeenk 1997, p. 223-226.
Vgl. Bloembergen 1965, p. 273-274, voetnoot 1. Zie voor de methode van verrekening van de aanbetaalde termijnen met de vordering wegens waardedaling bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud hiervoor in hoofdstuk 5, paragraaf 5.8.1.
Thoss 2003, p. 278.
Zo dan ook Müller-Laube 1993, p. 534 en OGH 22 februari 1972, zaaknr. 8Ob17/72. In die richting ook Bloembergen 1965, p. 274, voetnoot 1 en ook Du Perron 1999, p. 123, die echter enerzijds opmerkt dat de koper aanspraak heeft op schadevergoeding omdat het eigenaarsbelang voor zijn rekening komt (vanwege de risico-overgang), maar anderzijds toch lijkt te eisen dat de koper de koopprijs ook daadwerkelijk voldoet.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 606-607 en Thoss 2003, p. 279-280.
Zo echter RG 1 juli 1942, RGZ 170, 1 en Koziol 1968, p. 500.
Vgl. Rinke 1998, p. 103-104 en Bülow 2012, p. 262.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 607.
Zo echter Von Tuhr 1918, p. 297-298, Flume 1962, p. 400-401 (zij het dat hij slechts inning met toestemming van de koper kan verlangen, daarbij aansluitend Wilhelm 2010, p. 919) en Bülow 2012, p. 261. In die richting ook Rühl 1930, p. 98-100 en Koziol 1968, p. 500-502 (zij het via de Drittschadensliquidation).
Zie daarover hiervoor in paragraaf 8.4.2.
Raiser 1961, p. 82, Forkel 1962, p. 206, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 607, Müller-Laube 1993, p. 532 en Thoss 2003, p. 278-279 en p. 282.
Vgl. Bloembergen 1965, p. 272.
Raiser 1961, p. 82, Forkel 1962, p. 207, Georgiades 1963, p. 165-166, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 607, Koziol 1984, p. 34, Brox 1984, p. 660, Rinke 1998, p. 105, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 80, Thoss 2003, p. 280-281 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 43.
Zie hierna in voetnoten 273-275, 277 en 279.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 610, Koziol 1984, p. 34, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 80 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 43. Vgl. ook Spielbüchler 1981, p. 510. Zie uit de rechtspraak OGH 22 november 1978, zaaknr. 1Ob33/78 en OGH 19 april 1979, zaaknr. 7Ob768/78.
Zo reeds HR 9 december 1898, W. 7216.
Medicus 1965, p. 144-145, Raiser 1961, p. 82 en Serick 1963, p. 278-279. Vgl. ook Forkel 1962, p. 207-208.
Vgl. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 609.
Vgl. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 611.
Zie over de functie hiervoor in hoofdstuk 2 en met betrekking tot de alternativiteit hoofdstuk 5,paragraaf 5.7.
Vgl. Raiser 1961, p. 83.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 611.
Zie daarover hiervoor in hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.3.
Vgl. Bloembergen 1965, p. 265 voetnoot 1.
Een zeer uitdagende vraag rond het eigendomsvoorbehoud betreft de kwestie door wie en op welke wijze schadevergoedingsaanspraken gedurende de periode van onzekerheid geldend kunnen worden gemaakt jegens een derde die de verkochte zaak beschadigt of vernietigt. Moeilijkheden worden daarbij veroorzaakt door het feit dat vanwege de voorwaarde onduidelijk is wie uiteindelijk eigenaar zal zijn van de zaak, waardoor eveneens onduidelijk is wie de schade uiteindelijk lijdt.1 Extra complicerend is de omstandigheid dat de koper vanwege de risico-overgang van artikel 7:10 BW ondanks de beschadiging of het tenietgaan gehouden blijft de volledige koopprijs te voldoen.2 Zoals in hoofdstuk 7 aan de orde kwam, rijzen dezelfde vragen wanneer de verkochte zaak zowel ten behoeve van de verkoper als van de koper is verzekerd en vervolgens aanspraak wordt gemaakt op de verzekeringsuitkering.
Het gaat daarbij enkel om schade aan de zaak zelf, nu deze de eigenaar in zijn vermogen treft. Eventuele andersoortige schade, zoals de schade die de koper lijdt doordat hij gedurende de reparatie van de verkochte zaak een vervangende machine moet huren, blijft buiten beschouwing, nu het daarbij niet gaat om schadevergoedingsvorderingen die aanknopen bij het goederenrechtelijk toebehoren van de zaak.
Ogenschijnlijk is hier sprake van een probleem van zogenoemde verplaatste schade, zoals dat met name door Bloembergen op de kaart is gezet voor het Nederlandse recht.3 Daarvan is – kort gezegd – sprake indien de schade door een ander wordt geleden dan door degene jegens wie onrechtmatig is gehandeld. Daarvan lijkt hier sprake: de derde pleegt een inbreuk op het (actieve) eigendomsrecht van de verkoper, maar de koper lijdt de schade, nu hij het genot van de zaak heeft en bovendien gehouden blijft de volledige koopprijs te voldoen. Van een ‘echt’ probleem van verplaatste schade is desalniettemin geen sprake. Het probleem is hier niet zozeer gelegen in de omstandigheid dat een ander dan degene jegens wie onrechtmatig wordt gehandeld de schade lijdt, maar in de omstandigheid dat vanwege de voorwaardelijke overdracht onduidelijk is wie uiteindelijk eigenaar wordt van de zaak en dientengevolge de schade lijdt. Er is dus wel sprake van een situatie waarin onrechtmatig wordt gehandeld tegen degene die ook de schade lijdt, zij het dat vooralsnog onduidelijk is wie dat uiteindelijk is: de koper of de verkoper.4
In een tweetal gevallen bestaat deze onduidelijkheid niet. Dat is in de eerste plaats het geval indien de koper onder eigendomsvoorbehoud de verkochte zaak repareert en daarmee de schade in zekere zin ‘tot de zijne’ maakt.5 Als gevolg daarvan kan de koper de derde vervolgens aanspreken tot vergoeding van de schade.6 De verkoper lijdt dan bovendien geen schade, nu de zaak weer is hersteld in de oude toestand. Ten tweede bestaat er geen onduidelijkheid wanneer de waardedaling van de zaak als gevolg van de onrechtmatige daad geringer is dan de omvang van de reeds door de koper gedane aanbetalingen. De door de onrechtmatige daad opgetreden schade wordt dan namelijk hoe dan ook door de koper geleden. Indien hij de koopprijs voldoet, omdat hij eigenaar wordt van een zaak die minder waard is en indien hij de koopprijs niet voldoet, omdat hij minder terugontvangt van zijn aanbetaalde termijnen als gevolg van de waardedaling van de zaak.7
Ingewikkelder ligt het in de overige gevallen. Als de koper de verschuldigde tegenprestatie niet voldoet (en zijn vermogen hiervoor geen verhaal biedt), blijft de verkoper eigenaar en lijdt hij de schade. De koper lijdt dan geen schade, omdat zijn voorwaardelijk eigendomsrecht is vervallen. Indien de koper daarentegen de verschuldigde prestatie voldoet, wordt hij eigenaar en lijdt hij in die hoedanigheid de schade. De verkoper lijdt dan geen schade meer, in de eerste plaats omdat zijn voorwaardelijk eigendomsrecht is vervallen, maar daarenboven omdat hij de koopprijs heeft ontvangen. De onzekerheid waaraan de overdracht is onderworpen, heeft daarmee ook betrekking op de schadevergoedingsvordering. Problematisch kan daarbij zijn dat, met name wanneer de koopprijs een substantiële omvang heeft en vervulling van de voorwaarde niet snel te verwachten is, goed voorstelbaar is dat (wenselijk is dat) de schadevergoedingsvordering geldend wordt gemaakt voordat de voorwaarde in vervulling is gegaan of als gevolg van de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud is vervallen.
Een drietal belangen speelt in een dergelijk geval een rol.8 In de eerste plaats willen verkoper en koper – in overeenstemming met de ratio van het eigendomsvoorbehoud – beschermd zijn tegen elkaars insolventie, in die zin dat zij bij voorkeur niet de schadevergoedingsvordering willen verkrijgen via elkaars vermogen. Zij zijn gebaat bij een rechtstreekse aanspraak op de schadeveroorzaker overeenkomstig hun geschade belang. Daarnaast staat het belang van de schadeveroorzaker, die aan de juiste persoon en mitsdien bevrijdend wil betalen, hetgeen ingewikkeld kan zijn vanwege de voorwaardelijkheid van de rechten van de verkoper en koper. Als gevolg van tussentijdse betalingen kan het bovendien zo zijn dat intussen een verandering is ingetreden in de geschade belangen van de verkoper en koper. Tegen deze achtergrond laten zich grosso modo drie oplossingen voorstellen: (i) de verkoper kan de schadevergoedingsvordering geldend maken; (ii) de koper kan de schadevergoedingsvordering geldend maken of (iii) beide kunnen (al dan niet gezamenlijk) de schadevergoedingsvordering geldend maken overeenkomstig hun geschade belang.
De tweede benadering lijkt voor de hand liggend, aangezien de verkoper op het eerste gezicht in het geheel geen schade lijkt te lijden, vanwege het feit dat het risico van de zaak reeds op de koper is overgegaan.9 Ook na beschadiging of volledig tenietgaan van de zaak kan hij de koper derhalve nog aanspreken tot betaling van de koopprijs. Toch lijdt de verkoper mogelijk wel degelijk schade.10 Het risico is voor de verkoper namelijk gelegen in het feit dat hij de zaak niet meer of slechts beschadigd kan opvorderen indien de koper niet in staat blijkt de koopprijs te voldoen. Zijn eigendomsrecht (onder ontbindende voorwaarde) beschermt hem tegen het risico van niet-betaling door de koper, doordat hij het voorwerp van zijn eigen prestatieplicht kan terugvorderen. Is de zaak in de tussentijd beschadigd of tenietgegaan, kan hij haar niet meer (in de oorspronkelijke staat) terugvorderen. Om die reden moet de opvatting dat de verkoper geen schade lijdt en de koper de schadevergoedingsvordering geldend kan maken dan ook worden verworpen. Hetzelfde geldt voor oplossingen die aanknopen bij de hiervoor reeds gememoreerde problematiek van verplaatste schade (Drittschadensliquidation).11 Voorwaarde voor de toepasselijkheid van dat leerstuk is immers dat degene jegens wie onrechtmatig wordt gehandeld zelf geen schade lijdt en dat jegens degene die de schade lijdt, niet onrechtmatig wordt gehandeld. Daarvan is geen sprake, nu de verkoper mogelijk wel degelijk schade lijdt.12 Door de schadevergoedingsvordering volledig toe te kennen aan de koper, wordt het eigendomsrecht van de verkoper en de potentiële schade die hij lijdt, miskend.13 Wanneer de koper de schadevergoedingsvordering geldend zou kunnen maken, maar vervolgens in gebreke blijft met de voldoening van de koopprijs, zou de verkoper voor wat betreft de schadevergoeding zijn aangewezen op een persoonlijke vordering jegens de koper, hetgeen niet strookt met de functie van het eigendomsvoorbehoud, waarmee de verkoper zich juist wenst in te dekken tegen insolventie van de koper en met het feit dat hij door een derde wordt aangetast in een goederenrechtelijke aanspraak.14
Eveneens te verstrekkend is de opvatting dat de schadevergoedingsvordering geheel zou toekomen aan de verkoper.15 Door sommige auteurs in Duitsland en Oostenrijk wordt deze opvatting wel onderbouwd met het argument dat de verkoper als gevolg van de opgeschorte werking van de overdracht nog altijd eigenaar is en onzeker is of de koper eigenaar wordt en dus überhaupt wel schade lijdt. Voor het Nederlandse recht zou zo geredeneerd kunnen worden op grond van de omstandigheid dat het eigendomsrecht van de koper nog geen werking heeft en alle eigenaarsbevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om schadevergoedingsvorderingen geldend te maken, verbonden zijn aan het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde van de verkoper.16 Een aantal Duitse auteurs merkt op dat de verkoper slechts gehouden zou zijn de vordering op de derde na vervulling van de voorwaarde te cederen aan de koper of – indien de vordering reeds is voldaan – het geïnde bedrag aan de koper te voldoen.17 Deze visie miskent echter dat de koper, ondanks de opgeschorte werking van de overdracht, reeds voor vervulling van de voorwaarde een tegenwoordig recht heeft dat onderdeel uitmaakt van zijn vermogen, namelijk het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.18 Het eigendomsrecht van de verkoper is dien- overeenkomstig beperkt. De verkoper heeft derhalve ook nog slechts een beperkt geschaad belang bij de verkochte zaak, dat bovendien pas feitelijk in beeld komt indien de koper niet in staat blijkt de koopprijs te voldoen.19 Bovendien is een gevolg van deze oplossing dat de koper het risico van insolventie van de verkoper draagt, waar het aankomt op de schadevergoedingsvordering of het geïnde, nu hij slechts een verbintenisrechtelijke aanspraak geldend kan maken jegens de verkoper. Dat druist in tegen de functie en ratio van het eigendomsvoorbehoud, die zowel verkoper als koper beschermt tegen het risico van insolventie van de wederpartij, hetgeen wordt bereikt door terstond een voorwaardelijke overdracht tot stand te brengen.
Uit het voorgaande volgt dat zowel het belang van de koper als van de verkoper in het geding is als gevolg van de onrechtmatige daad van de derde.20 Zowel het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde alsook het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde wordt aangetast door de onrechtmatige daad, nu beide eigendomsrechten betrekking hebben op de beschadigde zaak. Aangezien zij beide getroffen worden door de onrechtmatige daad, moet worden aangenomen dat de laedens de schadevergoeding verschuldigd is aan de verkoper en de koper, waardoor sprake is van een pluraliteit van schuldeisers als bedoeld in artikel 6:15 BW. Deze benadering is ook de heersende leer in de Oostenrijkse en Duitse literatuur en zij is eveneens aanvaard in de rechtspraak van het BGH en OGH.21
Problematisch blijft bij deze pluraliteit van schuldeisers uitsluitend nog op welke wijze de schadevergoeding tussen de verkoper en de koper moet worden verdeeld. Uit de rechtspraak van het BGH lijkt te moeten worden afgeleid dat hij meent dat de verkoper en koper Teilgläubiger zijn en allebei een eigen vordering op de schadeveroorzaker hebben, aangezien sprake is van een deel bare vordering (vgl. art. 6:15 lid 1 BW).22 De omvang van hun beider vordering wordt vervolgens bepaald door de afwikkelingsstand van de koopovereenkomst ten tijde van het schadeveroorzakende feit. De verkoper komt in deze benadering een vordering toe ter hoogte van de nog openstaande koopprijs, terwijl de schadevergoedingsvordering van de koper het restant bedraagt. Deze benadering is de heersende leer in Oostenrijk, waarbij het OGH zich heeft aangesloten.23
Zij kent echter een aantal bezwaren.24 In de eerste plaats wordt hiermee van de schuldenaar verlangd dat hij zich verdiept in de interne verhouding tussen verkoper en koper. Weliswaar komt artikel 6:34 BW de schuldenaar tot op zekere hoogte tegemoet wanneer hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat hij in een bepaalde omvang aan de koper of verkoper moest betalen, maar dit betekent niet dat de schuldenaar zomaar mag vertrouwen op een door de verkoper of koper genoemde afwikkelingsstand van de koopovereenkomst. Ten tweede kan de opsplitsing van de schadevergoedingsvordering leiden tot een wedloop tussen verkoper en koper, wanneer de schadeveroorzaker slechts in staat blijkt de vordering gedeeltelijk te voldoen. Ten slotte wordt in deze benadering weliswaar een praktische oplossing gegeven door een verdeelsleutel te formuleren, maar hiermee wordt miskend dat vanwege de onzekerheid hangende de voorwaarde juist niet vastgesteld kan worden wie in welke omvang de schade lijdt. Wanneer de koper nadien bijvoorbeeld niet in staat blijkt de koopprijs te voldoen en de verkoper weer onvoorwaardelijk eigenaar is geworden, is laatstgenoemde aangewezen op het vermogen van de koper om de resterende schadevergoeding alsnog te verkrijgen, wanneer deze in de tussentijd door de koper is geïnd.
Gelet op deze aspecten wordt beter recht gedaan aan de betrokken belangen door aan te nemen dat de onzekerheid over de vraag wie uiteindelijk de schade lijdt tot gevolg heeft dat sprake is van een ondeelbare prestatie. Weliswaar wordt met de ondeelbaarheid van de prestatie in artikel 6:15 lid 2 BW gedoeld op de onmogelijkheid van splitsing van de prestatie, waarvan geen sprake is bij een vordering tot betaling van een geldsom, nu deze eenvoudig splitsbaar is,25 maar uit de onzekerheid hangende de voorwaarde volgt mijns inziens dat desalniettemin sprake is van een ondeelbare vordering.26 Vanwege de onduidelijkheid wie uiteindelijk eigenaar zal zijn van de verkochte zaak en het feit dat de afwikkelingsstand van de koopovereenkomst zich steeds kan wijzigen, laat zich immers niet goed vaststellen op welke wijze de vordering tussen de verkoper en de koper moet worden opgedeeld.27 Uit bovenstaande betrokken belangen moet boven dien worden afgeleid dat zij gezamenlijk een vorderingsrecht hebben (art. 6:15 lid 2 BW) en dat de schuldenaar de vordering aan hen beide gezamenlijk moet voldoen.28 Daarmee wordt bewerkstelligd dat de nadere verdeling van de schadevergoedingsvordering slechts een interne gelegenheid is tussen de verkoper en de koper en de schuldenaar zich in die verhouding niet hoeft te verdiepen.
Als de schadeveroorzaker derhalve aan zijn verplichting tot betaling van de schadevergoeding voldoet door aan de verkoper en de koper gezamenlijk te betalen, is het vervolgens aan hen om intern tot een nadere afwikkeling te komen. Gelet op het feit dat vooralsnog onduidelijk is of de voorwaarde in vervulling gaat, is denkbaar dat het bedrag wordt gedeponeerd onder een notaris en daarbij wordt overeengekomen onder welke voorwaarden de notaris het gedeponeerde bedrag uitkeert aan de koper of de verkoper. In het algemeen zal daarbij hebben te gelden dat het bedrag aan de koper wordt uitgekeerd, indien de voorwaarde in vervulling gaat en de gelden aan de verkoper toekomen indien de voorwaarde vervalt. Even- eens denkbaar is dat de verkoper en de koper overeenkomen dat de gelden reeds voor vervulling van de voorwaarde worden besteed, bijvoorbeeld in het kader van een reparatie of vervanging van de verkochte zaak. Daarmee is zowel het belang van de koper gediend, die weer aanspraak kan maken op het (volledige) genot van de zaak, als het belang van de verkoper, die de (volledige) zaak weer kan opvorderen indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde prestatie.
Beide oplossingen doen recht aan het alternatieve karakter van het eigendomsvoorbehoud, dat inhoudt dat de verkoper pas aanspraak kan maken op de verkochte zaak (of de waarde daarvan die zich in dit geval manifesteert in de schadevergoedingsvordering) indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde tegenprestatie en de verkoper overgaat tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.29 Aldus wordt voorkomen dat de verkoper gedurende de periode van onzekerheid zowel aanspraak kan maken op betaling van de koopprijs, als op (een gedeelte van de waarde van) de verkochte zaak zelf, hetgeen namelijk indruist tegen de functie van het eigendomsvoorbehoud.30 Eveneens wordt echter voorkomen dat (de waarde van) de zaak niet op goederenrechtelijke wijze voor de verkoper is veiliggesteld voor het geval dat de koper de verschuldigde prestatie niet voldoet.
Ook voorstelbaar is dat de verkoper en de koper onderling reeds voor het einde van de periode van onzekerheid tot een verdeling van de geïnde schadevergoedingsvordering willen komen, met name wanneer de verkochte zaak geheel is tenietgegaan. Voor de hand ligt bij de verdeling de afwikkelingsstand van de koopovereenkomst tot uitgangspunt te nemen. Het voordeel van de hier bepleite oplossing ten opzichte van de constructie van het BGH, waarbij wordt uitgegaan van twee separate vorderingen is daarbij gelegen in het feit dat de verkoper en de koper gedwongen worden te overleggen over de aanwending van de schadevergoeding en, indien zij tot een verdeling wensen over te gaan, een beslissing moeten nemen over de gevolgen van de verdeling voor het nog openstaande gedeelte van de koopprijsvordering, die de koper nog altijd dient te voldoen.31 Indien partijen tussentijds de schadevergoedingsvordering namelijk onderling verdelen overeenkomstig de afwikkelingsstand van de overeenkomst, moet rekening worden gehouden met het feit dat de koper nog altijd de openstaande koopprijs moet voldoen. Met elke gedeeltelijke betaling van de koper daalt het geschade belang van de verkoper overeenkomstig, hetgeen tot gevolg zou moeten hebben dat de verkoper het aan hem toegewezen gedeelte van de schadevergoedingsvordering bij elke deelbetaling van de koper gedeeltelijk aan de koper zou moeten restitueren. Dit ‘sinnlose Hin- und Herzahlen’32 kunnen koper en verkoper vanzelfsprekend eenvoudig voorkomen door verrekening van de koopprijs met hetgeen de verkoper verkrijgt uit hoofde van de verdeling van de schadevergoeding. Per saldo wordt daarmee bewerkstelligd dat de toekenning van (het gedeelte van) de schadevergoedingsvordering tevens heeft te gelden als voldoening van de verschuldigde tegenprestatie door de koper, althans ten belope van het gedeelte dat aan de verkoper wordt toegekend. Daarbij verdient opmerking dat een dergelijke verdeling niet zonder meer in het belang van de koper is, omdat hij – afhankelijk van de betalingsvoorwaarden – daarmee zijn recht prijsgeeft om de verschuldigde prestatie in termijnen te voldoen. De verkoper verkrijgt in een dergelijk geval namelijk eerder dan op grond van de betalingsvoorwaarden het geval zou zijn de door de koper verschuldigde tegenprestatie. Met name wanneer de koopprijs tevens een rentecomponent bevat vanwege de uitgestelde betaling van de koper, verliest de koper hierdoor de renteopbrengst gedurende de periode van onzekerheid.
Tot slot verdient opmerking dat de hierboven beschreven problematiek zich ogenschijnlijk laat oplossen door in de wet een met artikel 3:229 BW vergelijkbare bepaling op te nemen voor het eigendomsvoorbehoud, die aan de verkoper een eersterangs pandrecht toekent ten aanzien van vorderingen die in de plaats treden van de verkochte zaak.33 Een zodanige oplossing bevredigt echter uitsluitend, wanneer tegelijkertijd wordt aanvaard dat de schadevergoedingsvordering in volle omvang toekomt aan de koper.34 Vanwege de opgeschorte werking van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde laat zich echter niet eenvoudig onderbouwen dat aan de koper reeds voor vervulling van de voorwaarde de volledige vordering wegens zaaksbeschadiging toekomt.