Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.5.1
8.5.1 Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS402007:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mezas 1985, p. 42, Nieskens-Isphording 1988, p. 297-299, Van Hees 1997, p. 47, Faber 1997, p. 209-210, Reehuis 1998, p. 41-42, Van Swaaij 2000, p. 154, Scheltema 2003, p. 366, Peter 2007, p. 141, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 694, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 370, Reehuis 2013, nr. 60 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 530. Zie ook M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 389 en M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238. Anders: Nieskens-Isphording 1997, p. 111 (die kennelijk is teruggekomen op haar eerdere standpunt), waartegen terecht Scheltema 2003, p. 342.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238, Faber 1997, p. 210, Reehuis 1998, p. 41-42, Snijders 2006, p. 226, Peter 2007, p. 141-142, Faber 2007, p. 49, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 489, Verheul 2014c, p. 423, Stolz 2015, p. 912, Nieuwesteeg 2015, p. 168 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 528 en nr. 530.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 373 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 155. Reeds de tekst van art. 3:86 lid 2 BW wijst in die richting, waar het tijdstip van het kennen noch behoren te kennen van de verkrijger lijkt te worden gerelateerd aan het tijdstip van de leveringshandeling.
Zie voor Oostenrijk Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 571, Rummel/Spielbüchler 2000, §§357-360 ABGB, Rn. 9, Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 54 en Klang/Leupold 2011, § 367 ABGB, Rn. 15 en uit de rechtspraak bijv. OGH 11 oktober 2012, zaaknr. 2Ob188/11b. Zie voor Duitsland Raiser 1961, p. 36-37, Serick 1963, p. 267-268, Stoll 1967, p. 14, Wiegand 1974, p. 211, Brox 1984, p. 661, Flume 1992, p. 690, Wieling 2006, p. 382, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 846, Wilhelm 2010, p. 910, Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 74, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 88, Staudinger/ Wiegand 2017, § 932 BGB, Rn. 93 en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 932 BGB, Rn. 37.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 413. Vgl. ook Stolz 2015, p. 1074 die opmerkt dat de bescherming is zeker gesteld, maar de gevolgen daarvan pas intreden met vervulling van de voorwaarde.
Zie ook Mezas 1985, p. 42-43 en Scheltema 2003, p. 366. Vgl. ook M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238 waar de positie van de verkrijger te goeder trouw gedurende de periode van onzekerheid wordt getypeerd als een recht met een voorwaardelijk karakter. Zie ook Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 286.
Bauknecht 1955, p. 1252, Raiser 1961, p. 37, Schwerdtner 1980, p. 664, Soergel/Henssler 2002, Anh zu § 929 BGB, Rn. 79, Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 70 en Bamberger & Roth/Kindl 2016, § 929 BGB, Rn. 75. Zie voor Oostenrijk (gebaseerd op een vergelijking van de positie van de koper met een vruchtgebruiker) Rummel/Spielbüchler 2000, §§357-360 ABGB, Rn. 9. Anders: Serick 1963, p. 272 volgens wie uit het Anwartschaftsrecht wel een tegenover een ieder werkend Recht zum Besitz voortvloeit, zij het uitsluitend niet jegens de eigenaar van de zaak. Terecht merkt Staudinger/Gursky 2012, § 986 BGB, Rn. 13 op dat dit een ongerijmde tussenvorm is.
Flume 1962, p. 391 en Stoll 1967, p. 15.
Faber 1997, p. 210 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 530. Vgl. ook Raiser 1961, p. 38 en Georgiades 1963, p. 130. Anders: Gudian 1967, p. 1789.
Reehuis 2013, nr. 60 en Verheul 2014c, p. 424. In die richting ook Mezas 1985, p. 42-43. Anders voor het Oostenrijkse recht Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 571, vanwege het feit dat het Anwartschaftsrecht geen goederenrechtelijk karakter zou hebben.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 389-390.
Zie daarover hierna in paragraaf 8.9.5.
Vgl. Bauknecht 1955, p. 1253.
De eerste confrontatie tussen het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde en het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde treedt op indien de verkoper die de zaak onder opschortende voorwaarde overdraagt aan de koper, niet de eigenaar is van de verkochte zaak. Het is dan de vraag op welke wijze de koper beschermd wordt tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper en in hoeverre hij zich kan verweren tegen een revindicatie van de eigenaar (onder ontbindende voorwaarde) gedurende de periode van onzekerheid.
Voor beantwoording van deze vraag is beslissend op welke wijze artikel 3:86 BW moet worden toegepast bij een voorwaardelijke overdracht. Duidelijk is in ieder geval dát artikel 3:86 BW van toepassing is in geval van een overdracht onder opschortende voorwaarde, nu in lid 1 uitdrukkelijk wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van de bepaling in geval van een overdracht overeenkomstig artikel 3:91 BW. Ook indien derhalve door een beschikkingsonbevoegde een zaak wordt overgedragen onder opschortende voorwaarde is de overdracht geldig, indien voldaan is aan de vereisten van artikel 3:86 BW, in het bijzonder de goede trouw van de koper.1 Uit de geldigheid van de overdracht onder opschortende voorwaarde door een beschikkingsonbevoegde kan bovendien worden afgeleid dat de goede trouw van de koper wordt gefixeerd op het moment van de leveringshandeling van artikel 3:91 BW.2 Indien op dat moment namelijk voldaan is aan de vereisten van artikel 3:86 BW, komt direct een (geldige) overdracht tot stand, waaraan de rechtsgevolgen van een voorwaardelijke overdracht zijn verbonden. Dit sluit bovendien aan bij de algemeen gehuldigde opvatting in de literatuur dat de goede trouw van de verkrijger moet worden beoordeeld op het moment van de levering.3 Ook naar Duits en Oostenrijks recht vindt de bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid bij een voorwaardelijke overdracht net zozeer plaats als bij een gewone overdracht. Dat wordt onder meer afgeleid uit het feit dat op het moment van het sluiten van de voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst en het voltooien van de leveringshandeling de overdracht als zodanig reeds tot stand komt en slechts de werking ervan is opgeschort.4
Uit het voorgaande volgt dat de koper, wanneer hij te goeder trouw is op het moment van de machtsverschaffing, ondanks beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper eigenaar wordt van de zaak, wanneer hij de verschuldigde prestatie voldoet en aldus de voorwaarde in vervulling gaat. Minder duidelijk is wat zijn positie is tot dat moment. Vanwege de opgeschorte werking van de overdracht rijst de vraag hoe de bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid gestalte krijgt gedurende de periode van onzekerheid. Twee oplossingen zijn daarbij voorstelbaar. In de eerste plaats is denkbaar dat de bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid zich beperkt tot het feit dat de koper door voldoening van de verschuldigde tegenprestatie eigenaar wordt. In die richting lijken Bartels en Van Mierlo te denken waar zij opmerken dat de derde te goeder trouw door voldoening van de verschuldigde prestatie werking kan verlenen aan de reeds verrichte levering, als gevolg waarvan hij vanaf dat moment een beroep kan doen op artikel 3:86 BW.5 Daaruit lijkt te moeten worden afgeleid dat de koper volgens hen voor dat moment nog geen bescherming geniet. Dit zou betekenen dat de eigenaar de zaak tot dat moment van de koper kan opvorderen en dat de koper de zaak pas weer kan terugvorderen op het moment dat hij door vervulling van de voorwaarde eigenaar is geworden. Ten tweede laat zich echter ook voorstellen dat de bescherming van de koper zijn schaduw achteruitwerpt, in die zin dat hij zich ook reeds gedurende de periode van onzekerheid tegen opvordering van de zaak door de eigenaar (onder ontbindende voorwaarde) kan verweren met een beroep op zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.
Uit de samenspel van de artikelen 3:84 lid 1, 3:86, 3:91 en 3:84 lid 4 BW volgt in ieder geval dat de koper als gevolg van de overdracht onder opschortende voorwaarde ook in geval van beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder direct een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt, dat wordt afgesplitst van het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde, dat nog altijd aan de eigenaar van de zaak toekomt.6 Het komt vervolgens aan op de vraag welke van beide eigendomsrechten gedurende de periode van onzekerheid aan het langste eind trekt: het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde van degene over wiens zaak door een onbevoegde is beschikt of het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde van degene die onkundig is van het gebrek aan beschikkingsbevoegdheid van de koper.
In de Duitse literatuur pleegt men deze vraag dikwijls te beantwoorden met een beroep op het goederenrechtelijk karakter van het Anwartschaftsrecht. Omdat het Anwartschaftsrecht van de koper goederenrechtelijk karakter heeft, moet diens recht ook wel tegenwerpbaar zijn aan de eigenaar, over wiens recht de verkoper voorwaardelijk heeft beschikt.7 De gedachte is daarbij dat het recht geen goederenrechtelijk karakter kan hebben, indien het niet tegenwerpbaar is aan elke derde, waaronder de eigenaar. Volgens deze auteurs kan de koper zich tegen de opvordering door de eigenaar verweren met een beroep op zijn goederenrechtelijke Anwartschaftsrecht. Terecht wordt door andere schrijvers opgemerkt dat hier sprake is van een cirkelredenring: of het Anwartschaftsrecht goederenrechtelijk karakter heeft is immers (mede) afhankelijk van de vraag of de koper zijn recht kan tegenwerpen aan derden die buiten de contractuele relatie tussen verkoper en koper staan.8 Voor het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper naar Nederlands recht geldt hetzelfde. De vraag naar de positie van de koper gedurende de periode van onzekerheid in geval van beschikkingsonbevoegdheid is daarmee juist een belangrijke toetssteen en indicatie voor het al dan niet goederenrechtelijk karakter van het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper.
Naar mijn mening komt in dit verband beslissende betekenis toe aan de ratio en functie van artikel 3:86 BW binnen het stelsel van overdracht.9 Het artikel vormt een uitzondering op de eis van beschikkingsbevoegdheid die artikel 3:84 BW stelt. Indien voldaan is aan de vereisten van artikel 3:86 BW, is derhalve ondanks de beschikkingsonbevoegdheid toch sprake van een overdracht overeenkomstig artikel 3:84 BW. Daarmee verleent artikel 3:86 BW aan de verkrijger te goeder trouw de positie die hij zou hebben als hij van een beschikkingsbevoegde zou hebben verkregen, vanwege diens onbekendheid met de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder. Gewoonlijk betekent dit dat de verkrijger eigenaar wordt. De strekking van de bepaling is dan ook dat de verkrijger wordt behandeld alsof hij van een beschikkingsbevoegde heeft verkregen. Met andere woorden: artikel 3:86 BW verleent aan een overdracht door een beschikkingsonbevoegde dezelfde werking als die aan de overdracht zou toekomen, indien de vervreemder wel beschikkingsbevoegd zou zijn geweest. Hieruit moet mijns inziens worden afgeleid dat de positie van de koper onder eigendomsvoorbehoud dezelfde is als zijn positie zou zijn in geval van een overdracht onder opschortende voorwaarde door een beschikkingsbevoegde.10 In een dergelijk geval zou de verkrijger als gevolg van de machtsverschaffing op de voet van artikel 3:91 BW de macht over de zaak hebben en zou de verkoper de zaak niet van hem kunnen opvorderen, tenzij hij het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper ten val brengt. Deze positie komt de koper derhalve ook toe in geval van beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper, indien hij voldoet aan de vereisten van artikel 3:86 BW. Wanneer de daadwerkelijke eigenaar (onder ontbindende voorwaarde) de zaak derhalve van de koper opvordert gedurende de periode van onzekerheid, kan de koper de revindicatie afweren met een beroep op zijn voorwaardelijk eigendomsrecht, dat op dit punt dus een sterker recht is dan het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde.11 Dat strookt met de visie van de wetgever, die in de parlementaire geschiedenis opmerkt dat de koper ‘bij onbevoegde vervreemding op gelijke wijze tegen aanspraken van de gedepossedeerde beschermd [wordt] als wanneer de overdracht aan hem aanstonds onvoorwaardelijk had plaatsgevonden, althans indien de voorwaarde nog vervuld kan worden of intussen vervuld is.’12 Hieruit blijkt dat de wetgever aan het recht van de koper om de zaak onder zich te hebben een zeker goederenrechtelijk karakter heeft toegekend.13
Daarbij komt dat het tamelijk zinledig zou zijn wanneer de eigenaar onder ontbindende voorwaarde de zaak hangende de voorwaarde weliswaar zou kunnen opvorderen van de koper, maar vervolgens gehouden zou zijn de zaak weer terug te geven, wanneer de koper de verschuldigde prestatie – nota bene aan de verkoper! – voldoet en de voorwaarde in vervulling doet gaan, waardoor hij onvoorwaardelijk eigenaar wordt.14 Het is met name deze overweging geweest waarop het BGH de onmogelijkheid van opvordering door de eigenaar heeft gebaseerd.
Een koper had een auto gekocht onder eigendomsvoorbehoud voor 7418 D-Mark. Op het moment dat hij 4620,71 D-Mark had betaald, werd de auto opgevorderd door de eigenaar, aan wie de verkoper de auto reeds eerder tot zekerheid had overgedragen. De vraag reeds of de zekerheidseigenaar de zaak kon opvorderen van de koper. De koper beweerde dat hij de koopprijs allang zou hebben betaald, wanneer hij niet zou zijn betrokken in deze procedure. Daaruit leidde het BGH af dat de koper ‘unverzüglich nach Entscheidung des vorl. Rechtsstreits den noch ausstehenden Teil des Kaufpreises begleichen wird.’
Het BGH verleende de koper, die binnen afzienbare tijd de volledige koopprijs zou voldoen, een exceptio doli tegen de opvorderingsactie van de eigenaar, omdat opvordering door de eigenaar zou indruisen tegen de Treu und Glauben.15 Verkieslijker acht ik de hierboven op de ratio van artikel 3:86 BW gebaseerde redenering, nu in de benadering van het BGH onduidelijk is in hoeverre hier van beslissende betekenis was dat de koper de verschuldigde prestatie binnen afzienbare tijd zou verrichten.16
Op grond van het voorgaande heeft de koper derhalve het recht om de zaak gedurende de periode van onzekerheid onder zich te hebben. In aanvulling daarop heeft hij ook het recht om de verkochte zaak te gebruiken. Uit het samenspel van de artikelen 3:120, 3:121 en 3:124 BW volgt namelijk dat de koper te goeder trouw niet gehouden is de eigenaar te compenseren op het moment dat de koper (definitief) niet in staat blijkt de verschuldigde tegenprestatie te voldoen en de eigenaar overgaat tot opvordering van de zaak. De consequentie daarvan is dat de koper niet aansprakelijk is voor een waardedaling van de zaak, die het gevolg is van het gebruik van de zaak gedurende de periode van onzekerheid.