Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.4.10
4.4.10 Investrand-arrest
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS303172:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Het Hof van Justitie EU zegt het als volgt in ro. 25: ‘Opgemerkt zij, zoals de verwijzende rechter heeft gedaan, dat in het hoofdgeding de aandelenverkoop als zodanig volgens vaste rechtspraak geen economische activiteit in de zin van de Zesde richtlijn vormt en dus buiten de werkingssfeer ervan valt (zie met name arrest van 20 juni 1996, Wellcome Trust, C-155/94, Jurispr. blz. I-3013, punten 33-37; arresten EDM, reeds aangehaald, punten 57-62, en Kretztechnik, reeds aangehaald, punt 19).’. Het Hof van Justitie EU gebruikt zodanig algemene bewoordingen dat daaruit afgeleid zou kunnen worden dat een aandelenverkoop nimmer als een economische activiteit kan worden aangemerkt. Sinds het SKF-arrest (HvJ EG, 29 oktober 2009, zaak C-29/08, V-N 2009/56.13; zie ook onderdeel 4.4.13) weten we dat dat niet de bedoeling van het Hof van Justitie EU geweest kan zijn. In het geval van Investrand zal doorslaggevend zijn geweest dat Investrand ten tijde van de verkoop niet als belastingplichtige kwalificeerde. De enkele verkoop van de aandelen kan dan niet tot belastingplicht leiden en als economische activiteit worden aangemerkt.
Cursivering SB.
Cursivering SB.
Zie hierover H.W.M. van Kesteren en M.M.W.D. Merkx, De zaak-Investrand en de grenzen van de belastingplicht, WFR 2007/902.
Lamers zal het beleid van het Hof van Justitie EU wellicht ‘incidentenpolitiek’ noemen (zie J.J.M. Lamers, Omtrent onttrekkingen, NTFR Beschouwingen 2009/39).
Het Hof van Justitie EU gaat op de ingeslagen weg verder in het Investrandarrest. De Nederlandse vennootschap Investrand BV heeft in 1989 een minderheidsdeelneming (in Cofex) verkocht tegen een vaste vergoeding en een winstrecht in de jaren 1989 t/m 1992 aan Hi-Tec Sports (een Nederlandse koper). Tot 1 januari 1993 was Investrand een passieve holdingmaatschappij, die deelnemingen in andere vennootschappen bezat, doch geen rol in het management ervan vervulde. Vóór 1 januari 1993 heeft Investrand geen prestaties tegen vergoeding verricht. Vanaf die datum heeft zij tegen vergoeding managementactiviteiten verricht en kwalificeerde Investrand als belastingplichtige. Tussen Investrand en de koper van de aandelen is een geschil ontstaan over de hoogte van het winstrecht voor boekjaar 1992. Dit geschil is in 1996 aanleiding geweest voor een arbitrageprocedure, in het kader waarvan aan Investrand kosten voor juridisch advies in rekening zijn gebracht. Investrand heeft de over deze kosten voldane btw in 1996 in aftrek gebracht. De feiten lijken heel erg op de feiten van het Midland-arrest. In beide gevallen gaat het om de verkoop van een deelneming waarover achteraf een geschil ontstaat met de koper. In beide gevallen maakt de verkoper in verband met dat geschil kosten en wil hij de op deze kosten drukkende btw in aftrek brengen. Er zijn echter ook twee belangrijke verschillen in de casussen: (1) Midland verkocht de deelneming aan een buiten de EU gevestigde afnemer, Investrand aan een in de EU gevestigde afnemer en (2) Midland Bank kwalificeerde als belastingplichtige toen zij de deelneming verkocht; Investrand kwalificeerde op het moment van de verkoop van de deelneming (nog) niet als ondernemer.
In het Midland-arrest besliste het Hof van Justitie EU dat de door Midland Bank gemaakte kosten als algemene kosten kunnen worden aangemerkt. In het Investrand-arrest begint het Hof van Justitie EU met de vaststelling dat de aandelenverkoop niet binnen de werkingssfeer van de Zesde richtlijn valt1 en dat daarom niet kan worden aangenomen dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de gemaakte advieskosten en een of meer bepaalde handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat. Het Hof van Justitie EU onderzoekt vervolgens de vraag of de kosten als algemene kosten kunnen worden aangemerkt. Het hof beantwoordt, anders dan in Midland, deze vraag ontkennend op basis van de volgende overwegingen:
-31. Dienaangaande zij benadrukt, zoals de Nederlandse regering en de Commissie hebben gedaan, dat de omstandigheid dat de schuldvordering in verband met de verkoop van Cofex-aandelen door Investrand aan Hi-Tec Sports, volgens de gegevens van de verwijzingsbeslissing, een bestanddeel is van het vermogen van de door Investrand geëxploiteerde onderneming, niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de door Investrand gemaakte advieskosten betreffende deze schuldvordering en haar economische activiteiten.
-32. Op basis van de gegevens van het dossier kan immers niet worden gesteld dat Investrand, indien zij vanaf 1 januari 1993 geen aan de btw onderworpen economische activiteiten had verricht, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde adviesdiensten niet zou hebben afgenomen. Het blijkt dus dat Investrand, ongeacht of zij vanaf die datum dergelijke activiteiten heeft verricht, deze diensten heeft afgenomen om de geldelijke tegenprestatie van de verkoop van aandelen aan Hi-Tec Sports in 1989 veilig te stellen.
-33. Derhalve kan niet worden aangenomen dat de kosten voor deze diensten zijn gemaakt ten behoeve van en met het oog op de belastbare activiteiten van Investrand. Aangezien deze kosten niet uitsluitend2 in deze activiteiten hun oorzaak vinden, houden zij dus daarmee niet rechtstreeks en onmiddellijk verband.
-34. Zoals de Commissie heeft gesteld, verschilt de situatie van Investrand in casu niet van die van een particuliere aandeelhouder die na verkoop van zijn aandelen juridisch advies inwint en de kosten voor deze adviesdiensten draagt in het kader van een geschil met de koper over het vaststellen van de schuldvordering bestaande in de verkoopprijs. Laatstbedoelde situatie valt niet binnen de werkingssfeer van de Zesde richtlijn (zie in die zin arrest EDM, reeds aangehaald, punten 60 en 61).
-35. Bovendien zij gepreciseerd dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Kretztechnik heeft geleid. De in laatstgenoemde zaak aan de orde zijnde advieskosten, die het Hof in punt 36 van zijn arrest heeft aangemerkt als algemene kosten die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de gehele economische activiteit van de belastingplichtige, hadden betrekking op een aandelenuitgifte om zijn kapitaal ten behoeve van zijn economische activiteit te versterken.
-36. Terwijl in casu op basis van de gegevens van het dossier niet kan worden gesteld dat Investrand de betrokken adviesdiensten niet zou hebben afgenomen indien zij geen aan de btw onderworpen economische activiteit had verricht, vonden de adviesdiensten waarom het ging in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Kretztechnik heeft geleid, daarentegen hun oorzaak uitsluitend3 in de economische activiteit van de belastingplichtige en in de kapitaalverhoging waartoe deze had besloten om ten behoeve van deze activiteit over meer financiële middelen te beschikken.
-37. Anders dan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde advieskosten, hielden de advieskosten waarom het ging in het reeds aangehaalde arrest Kretztechnik, dus rechtstreeks en onmiddellijk verband met de gehele economische activiteit van de belastingplichtige.
-38. Gelet op een en ander dient op de vraag van de Hoge Raad der Nederlanden te worden geantwoord dat artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn aldus dient te worden uitgelegd dat de kosten voor adviesdiensten die een belastingplichtige afneemt met het oog op de vaststelling van het bedrag van een schuldvordering die deel uitmaakt van het vermogen van zijn onderneming en betrekking heeft op een aandelenverkoop van vóór het tijdstip waarop hij voor de btw belastingplichtig is geworden, bij gebreke van gegevens die kunnen aantonen dat deze diensten uitsluitend in de door de belastingplichtige verrichte economische activiteit in de zin van deze richtlijn hun oorzaak vinden, niet rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met deze activiteit en bijgevolg geen recht doen ontstaan op aftrek van de daarop drukkende btw.
Omdat dus de door Investrand gemaakte kosten niet uitsluitend hun oorzaak vinden in haar belastbare activiteiten houden zij daar geen rechtstreeks en onmiddellijk verband mee en doen zij geen recht ontstaan op aftrek van de op de kosten drukkende btw. Het gebruik van het woord ‘uitsluitend’ roept vragen op.4 Dit is de eerste keer dat het Hof van Justitie EU dit woord gebruikt in het kader van de beantwoording van de vraag of bepaalde kosten als ‘algemene kosten’ kunnen worden aangemerkt. Ik denk dat het Hof van Justitie EU deze formulering heeft gebruikt omdat het voor de onderbouwing van de conclusie dat Investrand geen recht op aftrek had van de op de advieskosten drukkende btw moeite had om te zeggen dat de kosten niet waren gemaakt ten behoeve van de algemene economische activiteit en dat er daarom geen rechtstreekse en onmiddellijke samenhang was met de gehele bedrijfsactiviteit van Investrand. Daarmee zou het hof immers voorbij gaan aan of onvoldoende recht doen aan de stelling van Investrand dat de schuldvordering deel uitmaakt van haar ondernemingsvermogen. Het hof redt zich hieruit door te zeggen dat de kosten niet uitsluitend gemaakt zijn ten behoeve van de belastbare activiteiten van Investrand. Het hof laat aldus de mogelijkheid open dat de kosten misschien wel gedeeltelijk gemaakt zijn ten behoeve van de belastbare activiteiten, maar vindt dat blijkbaar niet voldoende om ze als algemene kosten aan te kunnen merken. Het is mij niet duidelijk waarom het hof in ro. 33 kiest voor de formulering ‘ten behoeve van de belastbare activiteiten’ in de plaats van ‘ten behoeve van haar algemene economische activiteit’ of ‘of ten behoeve van de gehele bedrijfsactiviteit’. Ik vermoed dat hier niets achter gezocht moet worden, het zijn verschillende woorden waarmee steeds hetzelfde wordt bedoeld, namelijk wat wij in Nederland zouden formuleren als ‘in het kader van de onderneming’.
Het is moeilijk de verschillende casussen van Midland Bank, Abbey National, Cibo Participations, Kretztechnik en Investrand onder één noemer te brengen. Het lijkt misschien een lappendeken5, maar na het Investrand-arrest overheerst bij mij het beeld dat het Hof van Justitie EU kosten wil aanmerken als algemene kosten, zodat de op deze kosten drukkende btw aftrekbaar is op basis van de voor de belastingplichtige geldende pro rata, als zij weliswaar niet rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met handelingen die recht geven op aftrek maar wél hun oorzaak uitsluitend vinden in de economische activiteiten van belastingplichtige. Bij Midland Bank, Abbey National, Cibo Participations en Kretztechnik was er geen rechtstreeks en onmiddellijke samenhang van de kosten met handelingen die recht geven op aftrek, maar konden de kosten wel als algemene kosten worden aangemerkt. Bij Investrand konden de kosten niet als algemene kosten worden aangemerkt omdat zij niet uitsluitend hun oorzaak vonden in de economische activiteiten van Investrand.