Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.1.1
8.1.1 Het recht een standpunt kenbaar te mogen maken in de Awb en AWR
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS363035:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 4:2 van de Awb.
Artikel 4:5 van de Awb.
Artikel 4:7, tweede lid, van de Awb.
Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb.
Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb.
Artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 62; Zie ook: Kamerstukken II, 1989/90, 21 221, nr. 4, p. 37: “Een dergelijke hoorverplichting moet niet wettelijk worden voorgeschreven, maar als uitwerking van het zorgvuldigheidsbeginsel door de rechter worden vastgesteld. De leden van de S.G.P.-fractie vroegen zich af of de voorgeschreven hoorplicht (behoudens uitzonderingen) primair als uitvloeisel van het zorgvuldigheidsbeginsel moet worden beschouwd, zoals in de memorie van toelichting geschiedt. Zonder ook hunnerzijds het mondigheidsaspect van de burger als voornaamste redengeving te beschouwen, vroegen zij of het legitimatieaspect geen voorname rol dient te spelen.”
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 98.
Kamerstukken II, 1990/91, 21 221, nr. 5, MvA, p. 67.
Prechal en Widdershoven 2017, onder 6.4.
Artikel 4:9 van de Awb.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 99.
Artikel 4:11 van de Awb.
HR 13 november 2015, nr. 14/05684, V-N 2015/59.6.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 103.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 103.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 103.
Paragraaf 7 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 15 februari 2016, nr. BLKB2016/19, Stcrt 9680: “De inspecteur kan afzien van het horen voorafgaand aan het vaststellen van een belastingaanslag (zie artikel 4:12 van de Awb). De inspecteur neemt evenwel bij correcties van aangiften zo veel mogelijk vooraf contact op met de belanghebbende.”
Artikel 6:4, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 114 tot en met 116.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. B, onder 18. De bezwaarschriftprocedure, p. 21.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p 144.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 145.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 145.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 145.
Paragraaf 9 van het Besluit Fiscaal bestuursrecht.
Paragraaf 9, vierde lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht: Het horen strekt er mede toe om (ambtshalve) een zo gefundeerd mogelijke beslissing te kunnen nemen. De inspecteur hoort de belanghebbende als er redelijkerwijs twijfel mogelijk is of het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.
Een standpunt kenbaar mogen maken in de voorfase
Het recht een standpunt kenbaar te mogen maken in de voorfase is geregeld in afdeling 4.1.2 van de Awb (titel: ‘De voorbereiding’). Voor beschikkingen op aanvraag is bepaald dat de aanvrager bij het indienen van een aanvraag de gegevens waarover hij de beschikking heeft en die nodig zijn voor het beoordelen van de aanvraag, zal verschaffen.1 Als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag moet het bestuursorgaan de aanvrager om een aanvulling vragen.2 Voordat een bestuursorgaan een aanvraag geheel of gedeeltelijk afwijst, moet het ingevolge artikel 4:7, eerste lid van de Awb de aanvrager in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen als de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen, die de aanvrager betreffen en als die gegevens afwijken van gegevens, die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt. Het bestuursorgaan behoeft die gelegenheid niet te bieden als sprake is van een afwijking van de aanvraag van geringe betekenis.3
Waar artikel 4:7 van de Awb een hoorrecht regelt voor de aanvrager van een besluit, ziet artikel 4:8 van de Awb op het recht een standpunt kenbaar te mogen maken voor andere belanghebbenden dan een aanvrager. Vóórdat een bestuursorgaan een beschikking geeft, waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, moet het bestuursorgaan die belanghebbende de gelegenheid geven zijn zienswijze naar voren te brengen als de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.4 Die gelegenheid behoeft niet te worden geboden als de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken.5 Een beschikking is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is, met inbegrip van een afwijzing op een aanvraag daarvan.6
De artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb dienen blijkens de parlementaire geschiedenis een zorgvuldige besluitvorming.7 Het uitgangspunt bij deze artikelen is dat de belanghebbende in beginsel alle relevante informatie zal verschaffen. Op grond van die gegevens zal een bestuursorgaan over het algemeen voldoende informatie hebben.8 In de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb is daarom een beperkt recht een standpunt kenbaar te mogen maken neergelegd. Dat moet verzekeren dat de gegevensvaststelling op de juiste wijze plaatsvindt.9 Het horen in de voorfase op grond van de Awb heeft daarmee niet tot doel de rechtsbescherming van de belanghebbende, maar het zorgvuldig verzamelen van feiten.10
Het recht een standpunt kenbaar te mogen maken, zoals neergelegd in de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb, mag zowel mondeling als schriftelijk worden uitgeoefend.11 De keuze is daarbij aan de belanghebbende. Blijkens de wetsgeschiedenis zullen belanghebbenden in veel gevallen de voorkeur geven hun zienswijze schriftelijk naar voren te brengen. Het mondeling horen is echter op vele wijzen mogelijk. Zo kan het voor een belanghebbende aantrekkelijk zijn als het bestuursorgaan de gelegenheid wil bieden tot telefonisch contact. Om de keuze ook daadwerkelijk bij de belanghebbende te laten, moet het bestuursorgaan de belanghebbende eerst op de hoogte stellen dat hij het recht heeft een standpunt kenbaar te maken. Er wordt aangenomen dat de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb impliciet bepalen dat het bestuursorgaan een termijn mag stellen waarbinnen een belanghebbende moet reageren.12
Naast de beperkingen van het hoorrecht in de tweede leden van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb kan een bestuursorgaan het hoorrecht zoals neergelegd in de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb, achterwege laten voor zover de vereiste spoed zich daartegen verzet, de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en sindsdien zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, of het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt als het bestuursorgaan de belanghebbende van die beschikking niet reeds van tevoren in kennis stelt.13
De belastingdienst kan de toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb op grond van artikel 4:12 van de Awb achterwege laten bij een beschikking die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting of aanspraak, als de belanghebbende tegen die beschikking bezwaar kan maken en de nadelige gevolgen na bezwaar volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. Belastingaanslagen zijn beschikkingen van financiële aard als bedoeld in artikel 4:12 van de Awb.14 Blijkens de Memorie van Toelichting wordt hiermee tegemoet gekomen aan de bezwaren tegen de werkzaamheden, die de hoorregeling bij met name financiële beschikkingen met zich zou brengen.15 Daarnaast bestaat blijkens de Memorie van Toelichting de verwachting dat lang niet altijd de behoefte zal bestaan aan een hoorgesprek.16 Bovendien wordt in de Memorie van Toelichting aangegeven dat de gevolgen van financiële beschikkingen veelal terug te draaien zijn.17 Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht bepaalt echter dat in afwijking van artikel 4:12 van de Awb de inspecteur bij correcties van aangiften zoveel mogelijk vooraf contact opneemt met de belanghebbende.18
Een standpunt kenbaar mogen maken in de bezwaarfase
Als het bezwarende besluit is vastgesteld, geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift.19 Het bezwaarschrift dient de gronden van het bezwaar te bevatten.20 De termijn voor het maken van bezwaar is zes weken met ingang van de dag waarop het besluit op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.21 Blijkens de parlementaire geschiedenis is de bezwaarfase primair op de rechtsbescherming gericht.22 Daarnaast vervult het de functie van het oplossen van concrete geschillen en het geven van inzichten in de gebreken in de bestuurlijke organisatie.23
Een bestuursorgaan moet op grond van artikel 7:2 van de Awb, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbenden in de gelegenheid stellen het standpunt mondeling kenbaar te maken. Blijkens de wetsgeschiedenis is dit een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure.24 Uit de parlementaire geschiedenis van de Awb blijkt dat het horen in de bezwaarfase belanghebbenden de mogelijkheid moet geven mondeling hun mening naar voren te brengen bij het bestuursorgaan, omdat niet iedereen in staat is zijn gedachten schriftelijk goed te formuleren.25 Daarnaast dient het horen nog steeds – net als in de voorfase – ter verkrijging van nadere informatie.26 Dit, omdat de gegevens waarover het bestuursorgaan beschikt, nog onvolledig of gebrekkig kunnen zijn, waardoor het bestuursorgaan het oorspronkelijke bezwarende besluit in de bezwaarfase moet herzien. Voorts geeft het horen in de bezwaarfase de mogelijkheid naar een oplossing voor de gerezen problemen te zoeken.27 Ten slotte kan het horen in de bezwaarfase de belanghebbende overtuigen dat het bestuursorgaan serieus aandacht besteedt aan zijn bezwaren.
Voor belastingzaken is in artikel 25, eerste lid, van de AWR bepaald dat in afwijking van artikel 7:2 van de Awb de belastingdienst de belanghebbende op verzoek hoort. Waar het horen in de bezwaarfase in de Awb het initiatief neerlegt bij het bestuursorgaan verschuift de AWR dit initiatief naar de belanghebbende. Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht legt dit initiatief voor het horen weer terug bij de inspecteur, tenzij sprake is van een impliciet bezwaar, bijvoorbeeld het alsnog indienen van een aangifte na ontvangst van het bezwarende besluit.28 Hierbij is geregeld dat de inspecteur zo nodig verifieert of de belanghebbende de uitnodiging om te worden gehoord, heeft ontvangen. Hiermee brengt het Besluit Fiscaal Bestuursrecht de procedure weer in overeenstemming met de Awb. Het bestuursorgaan maakt van het horen een verslag waarop een belanghebbende mag reageren. Doel van het horen is volgens het Besluit Fiscaal Bestuursrecht in ieder geval een zo gefundeerd mogelijke beslissing te kunnen nemen.29 Voorafgaand aan het horen, legt het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende ten minste een week voor belanghebbende ter inzage.30 Een bestuursorgaan kan – al dan niet op verzoek van de belanghebbende – de toepassing van het ter inzage leggen van de stukken achterwege laten voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden.31 Het bestuursorgaan doet mededeling van een dergelijke toepassing. Een bestuursorgaan kan ingevolge artikel 7:3 van de Awb van het mondeling horen van een belanghebbende afzien als:
het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is;
het bezwaar kennelijk ongegrond is;
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord;
de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord; of
aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.