Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.5.2.3
15.5.2.3 Tekstvoorstel
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232957:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De formulering is hier ruimer dan bij b., omdat de beheerder van het APV de administratieve verdeling niet alleen kan beëindigen door middel van een daartoe strekkend besluit, maar ook door de facto geen uitvoering meer aan deze verdeling te geven.
Deze bepaling kan leiden tot een derde knelpunt. Het is mijns inziens echter consistent om ook in deze mogelijkheid te voorzien. De inbrenger kan, indien hij het bestuur van het APV in de regelingen met betrekking tot het APV überhaupt toestaat om op deze wijze uitkeringen te doen, voorzien in een regeling die het zich eventueel voordoende nadeel wegneemt.
Het voorgaande in aanmerking nemend, ben ik van mening dat zowel een verdeling op initiatief van het bestuur van het APV, als op initiatief van de erfgenamen gezamenlijk (unaniem) mogelijk is, uiteraard voor zover de regelingen betreffende het APV dit toestaan, en dat dit voor de toerekening voor inkomstenbelastingdoeleinden gevolgd zou moeten worden. De bepalingen die dit regelen kunnen als volgt vormgegeven worden:
De leden 2 en 3 van artikel 4a Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 worden geschrapt, onder wijziging van het kopje van artikel 4a Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 in “Afgezonderd particulier vermogen”.
Na artikel 4a Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 worden nieuwe artikelen 4b en 4c Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 ingevoegd, met de volgende tekst:
Artikel 4b. Toerekening afgezonderd particulier vermogen
De bezittingen en schulden van een afgezonderd particulier vermogen kunnen voor de toerekening hiervan als bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van de wet administratief verdeeld worden over degenen aan wie deze toegerekend worden (de toerekeningssubjecten). Van een administratieve verdeling in de zin van dit lid is sprake indien de bezittingen en schulden ten behoeve van de toerekening administratief worden toegedeeld aan de toerekeningssubjecten en per toerekeningssubject de waardemutaties van en opbrengsten en uitgaven voortvloeiende uit deze bezittingen en schulden, alsmede de bezittingen en schulden die voor deze bezittingen en schulden in de plaats komen en de uit deze bezittingen voortgekomen vruchten, worden bijgehouden. Een dergelijke administratieve verdeling wordt slechts beschouwd als een administratieve verdeling in de zin van dit lid als deze tot stand gebracht is door de bestuurder(s) of beheerder(s) van het afgezonderd particuliere vermogen of als gevolg van een unanieme beslissing van de toerekeningssubjecten.
Indien sprake is van een administratieve verdeling als bedoeld in het eerste lid krijgt ieder toerekeningssubject uitsluitend die bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen toegerekend, die op grond van deze verdeling aan hem zijn toegedeeld, alsmede de bezittingen en schulden die voor de eerstgenoemde bezittingen en schulden in de plaats gekomen zijn, de uit de toegerekende bezittingen voortgekomen vruchten en de uit deze bezittingen en schulden voortvloeiende opbrengsten en uitgaven.
Indien sprake is van meer dan een persoon die vermogen heeft afgezonderd in de zin van artikel 2.14a, derde lid, van de wet (een inbrenger) in eenzelfde afgezonderd particulier vermogen, worden in afwijking van het eerste lid aan ieder van hen die bezittingen en schulden toegerekend die door de desbetreffende inbrenger zijn afgezonderd, hetgeen voor deze bezittingen en schulden in de plaats is gekomen en de vruchten uit deze bezittingen, alsmede de uit deze bezittingen en schulden voortvloeiende opbrengsten en uitgaven.
Indien sprake is van meerdere inbrengers en de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen niet volledig zijn te herleiden tot een bepaalde inbrenger op de wijze als bedoeld in het derde lid, vindt de toerekening aan de inbrengers op de volgende wijze plaats:
voor zover bezittingen en schulden wel te herleiden zijn tot een bepaalde inbrenger, worden deze aan hem toegerekend;
van de niet op grond van sub a toegerekende bezittingen en schulden (de niet herleidbare bezittingen en schulden) wordt aan iedere inbrenger een pro rata aandeel in deze bezittingen en schulden toegerekend, waarbij ieders aandeel wordt gesteld op diens pro rata aandeel in de waarde van de andere dan de herleidbare bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen op het moment dat de afzondering van vermogen door deze inbrenger plaatsvond of, indien deze inbrenger meerdere keren vermogen heeft afgezonderd, op het moment dat de laatste afzondering van vermogen plaatsvond;
voor de waarde van de afgezonderde bezittingen en schulden wordt aangesloten bij de waarde in het economische verkeer van hetgeen is afgezonderd op het moment van afzondering en, voor zover het op een eerder moment afgezonderde bezittingen en schulden betreft, de waarde in het economische verkeer hiervan op het desbetreffende moment van latere afzondering;
voor zover niet bekend is welke bezittingen en schulden, althans welke waarde door een inbrenger is afgezonderd, vindt toerekening van de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen plaats naar rato van het aantal inbrengers;
de opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen, alsmede de uit de bezittingen van het afgezonderd particulier vermogen voortgekomen vruchten, worden toegerekend aan die inbrenger aan wie op grond van sub a, b of d de bezittingen respectievelijk schulden, waaruit deze opbrengsten en uitgaven zijn voortgevloeid respectievelijk voortgekomen, worden toegerekend.
In afwijking van de in het vierde lid bepaalde toerekening kunnen de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen, die niet tot een bepaalde inbrenger te herleiden zijn, administratief verdeeld worden op de wijze als bedoeld in het eerste lid. In dit geval kan de administratieve verdeling tot stand gebracht worden door de bestuurder(s) of beheerder(s) van het afgezonderd particulier vermogen, of als gevolg van een unanieme beslissing van alle inbrengers.
Indien een toerekeningssubject overlijdt en de bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen op pro rata basis worden toegerekend aan diens erfgenamen als bepaald in artikel 2.14a, eerste lid, van de wet, dan worden deze bezittingen en schulden, opbrengsten en uitgaven aan deze erfgenamen toegerekend als had iedere erfgenaam een onverdeeld aandeel in de desbetreffende bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven respectievelijk aandelen van het overleden toerekeningssubject daarin.
Indien het overleden toerekeningssubject tot aan zijn overlijden het enige toerekeningssubject was, indien de in het zesde lid bedoeld bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen gedurende het leven van het overleden toerekeningssubject administratief verdeeld waren op de wijze als bedoeld in het eerste lid of indien de in het zesde lid bedoeld bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen gedurende het leven van het overleden toerekeningssubject toegerekend werden op grond van het derde lid of het vierde lid, sub a, dan kan in afwijking van het zesde lid tussen de erfgenamen van het overleden toerekeningssubject een administratieve (onder)verdeling van de desbetreffende bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven tot stand gebracht worden, door de bestuurder(s) of beheerder(s) van het afgezonderd particulier vermogen of door een unanieme beslissing van de erfgenamen van het overleden toerekeningssubject. Een dergelijke administratieve onderverdeling wordt gelijkgesteld met een administratieve verdeling als bedoeld in het eerste lid.
Voor zover geen verdeling als bedoeld in het eerste lid tot stand gebracht is of sprake is van een toerekening aan inbrengers als bedoeld in het derde of vierde lid, worden bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen pro rata toegerekend aan de toerekeningssubjecten, op basis van het aandeel in het totaal van bezittingen en schulden dat aan ieder toerekeningssubject toegerekend wordt. Indien dit aandeel niet te bepalen is, vindt de toerekening plaats pro rata naar het aantal toerekeningssubjecten.
Indien sprake is van een administratieve verdeling als bedoeld in het eerste lid, kan deze worden opgeheven:
indien de administratieve verdeling tot stand is gebracht door de bestuurder(s) of beheerder(s) van het afgezonderd particulier vermogen, door deze bestuurder(s) of beheerder(s);1 of
indien de administratieve verdeling het gevolg is van een unanieme beslissing van de toerekeningssubjecten, door een unanieme beslissing van deze toerekeningssubjecten of hun rechtsopvolgers.
4c. Uitkeringen uit afgezonderd particulier vermogen
Uitkeringen uit de bezittingen of opbrengsten van het afgezonderd particuliere vermogen, waaronder mede begrepen een uitkering onder de verplichting voor de ontvanger hiervan om een bepaalde schuld of uitgave van het afgezonderd particulier vermogen voor zijn rekening te nemen, worden voor de toerekening geacht ten laste te komen van iedere persoon aan wie de bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend, pro rata naar het aandeel van deze bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven dat aan hem wordt toegerekend. Indien de uitkering geschiedt onder de verplichting voor de ontvanger om schulden van het afgezonderd particulier vermogen te voldoen of over te nemen of uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen voor zijn rekening te nemen, dan komt deze overname of voldoening ten gunste aan iedere persoon aan wie de bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend, pro rata naar het aandeel van deze bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven dat aan hem wordt toegerekend.
In afwijking van het eerste lid worden, indien sprake is van een administratieve verdeling in de zin van artikel 4b, eerste lid, de uitkeringen als volgt toegerekend aan de toerekeningssubjecten:
indien de uitkering bestaat uit bezittingen of opbrengsten die uitsluitend aan één toerekeningssubject of inbrenger worden toegerekend, komt de uitkering voor de toerekening uitsluitend ten laste van het administratieve aandeel van dit toerekeningssubject;
indien de uitkering bestaat uit bezittingen of opbrengsten die worden toegerekend aan meerdere toerekeningssubjecten, komt de uitkering voor de toerekening ten laste van de administratieve aandelen van alle toerekeningssubjecten aan wie de desbetreffende bezittingen of opbrengsten worden toegerekend; de uitkering wordt pro rata ten laste van deze administratieve aandelen gebracht, tenzij de bestuurder(s) of beheerder(s) van het afgezonderd particulier vermogen bepalen dat de uitkering in een afwijkende verhouding ten laste van deze administratieve aandelen komt;
indien de uitkering geschiedt onder de verplichting voor de ontvanger om schulden van het afgezonderd particulier vermogen te voldoen of over te nemen of uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen voor zijn rekening te nemen en deze schuld of uitgave wordt toegerekend aan uitsluitend één toerekeningssubject, dan komt deze overname of voldoening voor de toerekening uitsluitend ten gunste van het administratieve aandeel van dit toerekeningssubject;
indien de uitkering geschiedt onder de verplichting voor de ontvanger om schulden van het afgezonderd particulier vermogen te voldoen of over te nemen of uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen voor zijn rekening te nemen en deze schuld of uitgave wordt toegerekend aan meerdere toerekeningssubjecten, dan komt deze overname of voldoening voor de toerekening ten gunste van de administratieve aandelen van alle toerekeningssubjecten aan wie de schulden of uitgaven worden toegerekend; de overname of voldoening wordt pro rata ten gunste van deze administratieve aandelen gebracht, tenzij de bestuurder(s) of beheerder(s) van het afgezonderd particulier vermogen bepalen dat de overname of voldoening in een afwijkende verhouding ten gunste van deze administratieve aandelen komt.
In afwijking van het eerste lid vindt, indien sprake is van toerekening aan inbrengers op grond van artikel 4b, derde lid of vierde lid, sub a, de toerekening als volgt plaats:
indien de uitkering bestaat uit bezittingen of opbrengsten die uitsluitend aan één inbrenger worden toegerekend, komt de uitkering voor de toerekening uitsluitend ten laste van de aan deze inbrenger toegerekende bezittingen en opbrengsten;
indien de uitkering bestaat uit bezittingen of opbrengsten die worden toegerekend aan meerdere inbrengers, komt de uitkering voor de toerekening pro rata ten laste van de aan deze inbrengers toegerekende bezittingen en opbrengsten;
indien de uitkering geschiedt onder de verplichting voor de ontvanger om schulden van het afgezonderd particulier vermogen te voldoen of over te nemen of uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen voor zijn rekening te nemen en deze schuld of uitgave wordt toegerekend aan uitsluitend één inbrenger, dan komt deze overname of voldoening voor de toerekening uitsluitend ten gunste van de aan deze inbrenger toegerekende schulden en uitgaven;
indien de uitkering geschiedt onder de verplichting voor de ontvanger om schulden van het afgezonderd particulier vermogen te voldoen of over te nemen of uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen voor zijn rekening te nemen en deze schuld of uitgave wordt toegerekend aan meerdere inbrengers, dan komt deze overname of voldoening voor de toerekening pro rata ten gunste van de deze inbrengers toe te rekenen schulden en uitgaven.
aan artikel 17 SW worden nieuwe leden 2 tot en met 4 toegevoegd, onder vernummering van lid 2 tot lid 5:
In afwijking van het eerste lid wordt, indien sprake is van een administratieve verdeling in de zin van artikel 4b, eerste lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 of een toerekening aan een persoon die vermogen heeft afgezonderd in een afgezonderd particulier vermogen in de zin van artikel 4b, derde lid, vierde lid, sub a, of vijfde lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, al wat verkregen wordt van een afgezonderd particulier vermogen, op andere wijze dan bedoeld in artikel 16, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht krachtens schenking verkregen te zijn van persoon of personen ten laste van wie de uitkering wordt gebracht op grond van het bepaalde in artikel 4c Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot al wat wordt verkregen, op andere wijze dan bedoeld in artikel 16, ten laste van bezittingen als bedoeld in artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat in dat geval wordt geacht verkregen te zijn van de persoon of personen waaraan die bezittingen zonder toepassing van dat lid zouden zijn toegerekend.
Indien het tweede lid van toepassing is en de verkrijger tegenover datgene, wat hij van het afgezonderd particulier vermogen verkrijgt, schulden van het afgezonderd particulier vermogen overneemt of voldoet of uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen voor zijn rekening neemt, wordt of worden, voor zover deze schulden of uitgaven niet worden toegerekend aan de persoon of personen aan wie de bezittingen of opbrengsten, waaruit de uitkering afkomstig is, worden toegerekend, de persoon of personen aan wie de schulden of uitgaven worden toegerekend voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht een schenking te hebben verkregen van de persoon of personen aan wie de bezittingen en opbrengsten worden toegerekend.2 De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven als bedoeld in artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat deze in dat geval geacht worden te zijn toegerekend aan de persoon of personen waaraan die bezittingen en schulden en opbrengsten en uitgaven zonder toepassing van dat lid zouden zijn toegerekend.
De omvang van de in het derde lid bedoelde schenking wordt gesteld op: wordt gesteld op:
indien het verkregene als bedoeld in het tweede lid afkomstig is uit aan één persoon toegerekende bezittingen of opbrengsten: de omvang van de overgenomen of voldane schulden of uitgaven toegerekend aan de persoon of personen aan wie geen bezittingen of opbrengsten worden toegerekend;
indien het verkregene als bedoeld in het tweede lid afkomstig is uit aan meerdere personen toegerekende bezittingen of opbrengsten: de omvang van de overgenomen of voldane schulden of uitgaven verminderd met het aan deze personen toegerekende deel van de desbetreffende schulden of uitgaven. Indien de overgenomen schulden of uitgaven bovendien toegerekend worden aan meerdere personen aan wie niet of in minder dan evenredige mate de bezittingen of opbrengsten, waaruit de uitkering afkomstig is, worden toegerekend, dan wordt de schenking geacht aan deze personen gedaan te zijn in de verhouding waarin zij onderling een meer dan evenredig deel van de hiervoor bedoelde schulden of uitgaven toegerekend hebben gekregen in vergelijking de hiervoor bedoelde bezittingen of opbrengsten.