Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.7.3:7.7.3 De actuele waarde in de jaarrekening
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.7.3
7.7.3 De actuele waarde in de jaarrekening
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS347987:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
H.L. Brink en H.P.A.J. Langendijk, Actuele waarde in de jaarrekening, In: Jaar in — jaar uit 9, Financiële verslaggeving 1994, Theorie en praktijk, onder redactie van H.L. Brink en L.G. van der Tas, Kluwer Bedrijfswetenschappen, 1995, blz. 1-30.
Art. 2:390, derde lid Burgerlijk Wetboek.
In het Besluit waardering activa is de term 'indirecte opbrengstwaarde' vervangen door de term `bedrijfswaarde'.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De marktwaarde (actuele waarde) geeft niet de waarde weer die op een bepaald moment voor elk individu zou moeten gelden. Strikt genomen is de marktwaarde 'slechts' een prijs. Maar in onze abstracte maatschappij zijn prijzen belangrijke indicatoren voor het bestaan van de waarde. Betere prijzen dan die welke tot uitdrukking komen in noteringen op ontwikkelde, financiële markten zijn voor dit doel nauwelijks denkbaar.
Brink en Langendijk1 hebben in 1994 een onderzoek gehouden onder 145 ondernemingen naar de mogelijke toepassing van de actuele waarde in de jaarrapporten. Als wettelijke grondslag voor de waardering (zie art. 2:284, eerste lid Burgerlijk Wetboek) komen in aanmerking de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Voor de materiële en financiële vaste activa en de voorraden is tevens de actuele waarde toegestaan. Bij de keuze tussen beide waarderingsgrondslagen dient voorzichtigheid te worden betracht, daarmee wordt bedoeld dat bij toepassing van de actuele waarde bij een nog niet gerealiseerde herwaarderingswinst, deze in een wettelijk niet-uitkeerbare reserve moet worden opgenomen2.
Aan de actuele waarde is de instandhoudingsdoelstelling substantialisme verbonden, aan de historische kosten-methode nominalisme. Binnen het substantialisme kan onderscheid worden gemaakt tussen een absoluut substantialisme (de activa worden in stand gehouden) en een relatief substantialisme (`slechts' het eigen vermogen wordt in stand gehouden).
In Nederland is de actuele waarde geïntroduceerd door Limperg als de vervangingswaardeleer. Deze 'leer' is gebaseerd op de zogenaamde continuïteitsgedachte van de onderneming c.q. op een deel van het productieproces. Indien de indirecte opbrengstwaarde3 (=de netto cashflow gerealiseerd door verkoop van de producten die met dit productiemiddel voortgebracht kunnen worden) lager uitkomt dan de vervangingswaarde, dient de continuïteit van het productieproces te worden verbroken en de waardering te worden aangepast aan de indirecte opbrengstwaarde. Ligt deze laatste beneden de directe opbrengstwaarde (de prijs van een goed op de verkoopmarkt), dan dient de productie onmiddellijk te worden gestopt en dient waardering op directe opbrengstwaarde plaats te vinden.
Uit het door Brink en Langendijk ingestelde onderzoek naar de actuele waarde in jaarrekeningen blijkt dat slechts in 34% van de 145 gevallen actuele waarde comptabel (dat wil zeggen in de balans en winst- en verliesrekening) werd toegepast. Aanvullende informatie over actuele waarde van activa en passiva werd enkel in 29% van de jaarrekeningen in de toelichting gegeven. In de resterende 37% werd op geen enkele manier informatie op basis van actuele waarde verstrekt. De onderzoekers trekken naar aanleiding van deze gegevens de voorzichtige conclusie dat op dit moment de toepassing van de actuele waarde zowel comptabel als aanvullend op de terugtocht lijkt te zijn, weliswaar is dit overigens een zeer geleidelijke. Het actuele 'waardebastion' heeft in Nederland blijkbaar enkele scheuren opgelopen maar is zeker nog niet gesloopt.