Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.2.5:3.2.5 Uitkomst van de zaak
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.2.5
3.2.5 Uitkomst van de zaak
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233628:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Idem, p. 226.
Idem.
Idem, p. 227.
Deze bepaling luidt: ‘The Times, Places and Manner of holding Elections for Senators and Representatives, shall be prescribed in each State by the Legislature thereof; but the Congress may at any time by Law make or alter such Regulations […].’
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr), 227-235.
U.S. Supreme Court 10 juni 1946, 328 U.S. 549 (Colegrove v. Green), 556 (plurality). Zie over deze zaak in de Nederlandse literatuur Koopmans 2003, p. 53.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan de hand van de zojuist genoemde Baker-factoren ging het Hof ten slotte in op de vraag of in deze zaak een political question aan de orde was. Het Hof beantwoordde deze vraag ontkennend.
Volgens het Hof waren er in dit geval geen beleidsbeslissingen noodzakelijk met een politiek karakter voordat het geschil kon worden beslecht (derde factor). Evenmin zou een inhoudelijke beoordeling leiden tot het niet in acht nemen van de binnen de trias vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten (vierde factor), tot een doorkruising van een eerdere, politieke beslissing van een van de andere staatsmachten (vijfde factor), of tot mogelijke ‘embarrassment’ als gevolg van uiteenlopende standpunten van de staatsmachten over een en hetzelfde onderwerp (zesde factor). Of zoals het Hof het formuleerde:
‘A natural beginning is to note whether any of the common characteristics which we have been able to identify and label descriptively are present. We find none: the question here is the consistency of state action with the Federal Constitution. We have no question decided, or to be decided, by a political branch of government coequal with this Court. Nor do we risk embarrassment of our government abroad, or grave disturbance at home […].’1
Ook ontbrak het volgens het Hof niet aan concrete en bruikbare rechtsnormen (tweede factor). Zoals gezegd, hadden eisers een beroep gedaan op de Equal Protection Clause. Daarin liggen volgens het Hof concrete en bruikbare rechtsnormen besloten voor een inhoudelijke beoordeling:
‘Judicial standards under the Equal Protection Clause are well developed and familiar, and it has been open to courts since the enactment of the Fourteenth Amendment to determine, if, on the particular facts, they must, that a discrimination reflects no policy, but simply arbitrary and capricious action.’2
Het Hof ging ten slotte in op de vraag of sprake was van een geschil dat moet worden geacht grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen (eerste factor). Daarbij erkende het dat de vormgeving van kiesdistricten mede raakt aan het openbaar bestuur van de staten en daarom ook in verband kan worden gebracht met de Guarantee Clause. Zoals in het vorige hoofdstuk is gebleken, had het Hof in zaken over die bepaling een political question aanwezig geacht. De verwevenheid met het openbaar bestuur maakte volgens het Hof echter niet dat ook het beroep van eisers op de Equal Protection Clause als zodanig had te gelden:
‘This case does, in one sense, involve the allocation of political power within a State, and the appellants might conceivably have added a claim under the Guarant[ee] Clause. Of course, as we have seen, any reliance on that clause would be futile. But because any reliance on the Guarant[ee] Clause could not have succeeded, it does not follow that appellants may not be heard on the equal protection claim which, in fact, they tender.’3
Het Hof ging ten slotte in op de in de Election Clause van artikel I, § 4, van de Amerikaanse Grondwet neergelegde bevoegdheid voor het federale Congres om regels vast te stellen over de verkiezing van afgevaardigden. Volgens het Hof heeft die bevoegdheid echter uitsluitend betrekking op de verkiezing van leden van het federale Congres, en niet op de verkiezing van de vertegenwoordigende organen van de afzonderlijke deelstaten. 4Ook in zoverre was er geen reden om dit geschil aan te merken als een geschil dat grondwettelijk gezien moet worden geacht aan een van de andere staatsmachten te zijn voorbehouden.5 De eerste Baker-factor was daarom evenmin van toepassing.
Nu geen enkele Baker-factor van toepassing was, concludeerde het Hof dat van een political question geen sprake was en dat er voor de rechter in zoverre geen beletsel bestond om zich inhoudelijk over deze zaak uit te spreken. Daarmee nam het Hof afstand van zijn eerdere oordeel in Colegrove v. Green en betrad het, volgens sommige leden in die zaak, alsnog ‘the political thicket’.6