Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.2.4
3.2.4 Relevante factoren
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233684:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Idem, p. 217 (nummering toegevoegd).
Zie voor een eerdere weergave van deze factoren in de Nederlandse literatuur Van der Hulle 2017, p. 2316; Van der Hulle 2018a, p. 199-200; Van der Hulle 2018b, p. 60-61. In sommige van deze eerdere publicaties heb ik de Baker-factoren tot drie categorieën samengebracht. Vgl. Bergkamp 2015, p. 2281; De Werd 2004, p. 77; Leyten 1974, p. 699.
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr), 217.
Idem.
Idem, p. 211.
Idem, p. 210-211.
Idem, p. 217: ‘The cases we have reviewed show the necessity for discriminating inquiry into the precise facts and posture of the particular case […].’
Na de grondslag van de political question-doctrine te hebben verduidelijkt, ging het Hof in op de factoren aan de hand waarvan moet worden bezien of in een voorliggend geschil van een political question sprake is. Volgens het Hof konden uit eerdere rechtspraak diverse factoren worden afgeleid:
‘Prominent on the surface of any case held to involve a political question is found [1] a textually demonstrable constitutional commitment of the issue to a coordinate political department; or [2] a lack of judicially discoverable and manageable standards for resolving it; or [3] the impossibility of deciding without an initial policy determination of a kind clearly for non-judicial discretion; or [4] the impossibility of a court’s undertaking independent resolution without expressing lack of the respect due coordinate branches of government; or [5] an unusual need for unquestioning adherence to a political decision already made; or [6] the potentiality of embarrassment from multifarious pronouncements by various departments on one question.’1
Deze overweging wordt beschouwd als de kern van de Amerikaanse political question-doctrine zoals deze doctrine tegenwoordig bekend staat en wordt toegepast. Daarin onderscheidde het Hof zes factoren die kunnen maken dat sprake is van een political question, en daarmee van een nonjusticiable geschil. Uit de hiervoor weergegeven overweging blijkt dat dit volgens het Hof in het bijzonder het geval is indien:
het geschil raakt aan een onderwerp dat moet worden geacht door de Amerikaanse Grondwet aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen;
het ontbreekt aan ‘judicially discoverable and manageable standards’, oftewel concrete en bruikbare rechtsnormen om het geschil te beslissen;
er beleidsbeslissingen noodzakelijk zijn met een politiek en geen juridisch karakter voordat het geschil inhoudelijk kan worden beoordeeld;
de rechter met een inhoudelijke beoordeling niet langer de binnen de trias vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten zou bewaren;
er sprake is van een bijzondere noodzaak om een eerdere, politieke beslissing van een van de andere staatsmachten te respecteren; of
een inhoudelijk oordeel kan leiden tot ‘embarrassment’ als gevolg van uiteenlopende standpunten van de verschillende staatsmachten over een en hetzelfde onderwerp.2
In lijn met de literatuur zullen deze factoren in het vervolg van dit onderzoek worden aangeduid als de ‘Baker-factoren’. Zij bieden de rechter op het eerste gezicht veel ruimte voor de rechter om te concluderen dat van een political question sprake is.
Toch heeft het Hof het bereik van deze factoren in diverse opzichten beperkt. Het Hof maakte in Baker v. Carr duidelijk dat de rechter niet lichtvaardig mag concluderen dat in een voorliggend geschil een political question aanwezig is: ‘Unless one of these formulations is inextricable from the case at bare, there should be no dismissal for nonjusticiability on the ground of a political question’s presence.’3
Het Hof voegde hieraan toe dat de enkele omstandigheid dat een geschil nauw verband houdt met de politiek en dat een inhoudelijke beoordeling belangrijke politieke gevolgen kan hebben, als zodanig onvoldoende is voor het oordeel dat van een political question sprake is. De politieke gevoeligheid van het geschil maakt dus nog geen political question: ‘The doctrine of which we treat is one of political questions, not one of political cases.’4
Ook de omstandigheid dat het voorliggende geschil raakt aan het buitenlands beleid is op zichzelf nog niet voldoende. Hoewel het Hof in Baker v. Carr erkende dat veel geschillen waarin het een political question aanwezig had geacht raakten aan het buitenlands beleid, was daarmee niet gezegd dat bij ieder geschil over het buitenlands beleid van een political question sprake is: ‘[I]t is error to suppose that every case or controversy which touches foreign relations lies beyond judicial cognizance.’5
Het Hof maakte ten slotte duidelijk dat het antwoord op de vraag of sprake is van een political question een ‘case-by-case-inquiry’ vergt, oftewel een beoordeling van geval tot geval.6 De uitkomst daarvan is niet alleen afhankelijk van de voorliggende materie, maar ook van de te beantwoorden rechtsvraag en de insteek van de vordering.7