Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.2.6
3.2.6 Discussie en nasleep
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233629:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Stern en Wermiel 2010, p. 183; Cunningham 2018, p. 1541. Zie over het belang van deze zaak in de Nederlandse literatuur Gerards 2010, p. 435.
Zie bijv. Sillen 2016, p. 781.
Zie bijv. Gerards 2010, p. 432-435, met verdere verwijzingen.
Koopmans 1993, p. 13; Koopmans 1986, p. 53.
Gerards 2010, p. 435.
Zie ook Koopmans 1986, p. 53.
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr), 297-298 (Frankfurter, J., dissenting).
Idem, p. 301: ‘[A] court could not determine the equal protection issue without, in fact, first determining the Republican Form issue, simply because what is reasonable for equal protection purposes will depend upon what frame of government, basically, is allowed. To divorce ‘equal protection’ from ‘Republican Form’ is to talk about half a question.’ Zie ook Grove 2015, p. 1961-1962.
Stern en Wermiel 2010, p. 190-191.
U.S. Supreme Court 18 maart 1963, 372 U.S. 368 (Gray v. Sanders), 381: ‘The conception of political equality […] can mean only one thing – one person, one vote.’
U.S. Supreme Court 15 juni 1964, 377 U.S. 533 (Reynolds v. Sims), 568. Zie ook U.S. Supreme Court 15 juni 1964, 377 U.S. 713 (Lucas v. Forty-Fourth General Assembly of Colorado); U.S. Supreme Court 15 juni 1964, 377 U.S. 678 (Davis v. Mann).
U.S. Supreme Court 17 februari 1964, 376 U.S. 1 (Wesberry v. Sanders), 8.
Koopmans 1986, p. 52-53.
Zie bijv. U.S. Supreme Court 15 juni 1964, 377 U.S. 533 (Reynolds v. Sims), 577 (verkiezingen voor statelijke wetgevers): ‘By holding that […] both houses of a state legislature must be apportioned on a population basis, we mean that the Equal Protection Clause requires that a State make an honest and good faith effort to construct districts, in both houses of its legislature, as nearly of equal population as is practicable. We realize that it is a practical impossibility to arrange legislative districts so that each one has an identical number of residents, or citizens, or voters. Mathematical exactness or precision is hardly a workable constitutional requirement.’
Zie bijv. U.S. Supreme Court 7 april 1969, 394 U.S. 526 (Kirkpatrick v. Preisler), 530-531 (verkiezingen voor het federale Congres): ‘Since equal representation for equal numbers of people is the fundamental goal for the House of Representatives, the as nearly as practicable standard requires that the State make a good faith effort to achieve precise mathematical equality.’
Het oordeel van het Hof dat de political question-doctrine er niet aan in de weg staat dat de rechter zich uitspreekt over de wijze waarop de kiesdistricten in deelstaten zijn vastgesteld, was voor de rechtspraktijk van groot belang. Chief Justice Warren zou Baker v. Carr later zelfs de belangrijkste zaak onder zijn voorzitterschap noemen.1
Deze kwalificatie van Baker v. Carr als belangrijkste zaak onder het voorzitterschap van Warren is niet zonder betekenis: het Warren Court is door conservatieven sterk bekritiseerd om zijn progressieve koers.2 Onder het voor- zitterschap van Warren heeft het Hof niet alleen de rassensegregatie op scholen ongrondwettig verklaard, maar heeft het bijvoorbeeld ook de rechten van verdachten uitgebreid en het grondrecht op privacy erkend.3 Met zijn oordeel in Baker v. Carr kende het Hof de rechter nu een belangrijke rol toe bij het bewaken van de spelregels van het democratisch proces.
Een belangrijke vraag is waarom het Hof van koers veranderde en, in afwijking van zijn oordeel nog geen twee decennia eerder in Colegrove v. Green, geschillen over de indeling van kiesdistricten niet langer als een political question aanmerkte. Koopmans heeft een mogelijke verklaring hiervoor gezocht in de zojuist bedoelde progressieve koers van het Warren Court. Hij herinnert eraan dat in dezelfde tijd de rechtspraak over desegregatie, rassenintegratie en gelijke behandeling tot volle wasdom was gekomen. Een tweede, hiermee samenhangende verklaring is volgens Koopmans gelegen in de neiging van het Hof om de rol van de rechter te benadrukken wanneer de gebruikelijke politieke kanalen niet in staat blijken misstanden te corrigeren.4 Eén van die misstanden betrof de vaststelling van kiesdistricten: door districten op een bepaalde manier vast te stellen, was het mogelijk om kunstmatige meerderheden te creëren waardoor bepaalde minderheden in het geheel niet vertegenwoordigd of aanzienlijk ondervertegenwoordigd werden. Juist om die reden was het bijzonder lastig gebleken om bepaalde misstanden, zoals de rassensegregatie, met politieke middelen te bestrijden.5 De oplossing hiervoor was gelegen in de vaststelling van nieuwe kiesdistricten op basis van een betere en eerlijkere verdeling van de bevolking. De bestaande vertegenwoordigende organen van de deelstaten hadden daar vaak echter geen enkel belang bij en waren daarom niet snel geneigd om kiesdistricten opnieuw vast te stellen. Bij het uitblijven van een oplossing via de gebruikelijke politieke kanalen, achtte het Hof de rechter aan zet.
Om dezelfde reden is ook het standpunt van twee dissenting leden in Baker v. Carr om vast te blijven houden aan de in Colegrove v. Green ingezette lijn niet heel overtuigend.6 Eén van de dissenters was Justice Frankfurter. Zoals in het vorige hoofdstuk is gebleken, had het Hof op zijn initiatief in Colegrove v. Green nog geoordeeld dat de vaststelling van kiesdistricten een political question betreft. De koerswijziging van het Hof leidde tot een felle dissent van Frankfurter. Ook hij maakte daarin een vergelijking met de Guarantee Clause en de eerdere zaken waarin het Hof een beroep op die bepaling als een political question had aangemerkt. Anders dan de meerderheid had aangenomen, ging het volgens Frankfurter hier in wezen om een vergelijkbaar geschil:
‘The present case involves all of the elements that have made the Guarantee Clause cases nonjusticiable. It is, in effect, a Guarantee Clause claim masquerading under a different label.’7
Omdat het voorliggende geschil nauw verband hield met de Guarantee Clause moest volgens Frankfurter ook dit geschil worden geacht grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten te zijn voorbehouden.8
Hoewel Frankfurter miskende dat de vertegenwoordigende organen van de deelstaten er vaak geen enkel belang bij hadden om de status quo te wijzigen, is daarmee niet gezegd dat het oordeel van het Hof in Baker v. Carr niet voor kritiek vatbaar is. Integendeel. Deze kritiek zag echter niet zozeer op de uitkomst van deze zaak, maar op de vragen die het Hof daarin onbeantwoord had gelaten.9
Eén van deze vragen betreft de door de rechter te hanteren criteria bij de beoordeling of kiesdistricten in een deelstaat op een met de Equal Protection Clause strijdige wijze zijn vastgesteld. Het Hof had weliswaar overwogen dat in deze bepaling voldoende duidelijke en objectieve criteria besloten liggen, maar deze criteria niet nader gespecificeerd. Dat zou het Hof later alsnog doen door het zogenoemde ‘one person, one vote’-beginsel te introduceren.10 Dit beginsel houdt in dat kiesdistricten binnen een deelstaat zoveel mogelijk moeten worden vastgesteld op basis van een gelijkmatige verdeling van de bevolking. Daardoor heeft de stem van een burger in het ene kiesdistrict eenzelfde gewicht heeft als de stem van een burger in een ander district. Omgekeerd betekent dit dat iedere volksvertegenwoordiger in beginsel een vergelijkbaar aantal kiezers vertegenwoordigt. Of zoals het Hof het later zou formuleren:
‘We hold that, as a basic constitutional standard, the Equal Protection Clause requires that the seats in both houses of a bicameral state legislature must be apportioned on a population basis. Simply stated, an individual’s right to vote for state legislators is unconstitutionally impaired when its weight is in a substantial fashion diluted when compared with votes of citizens living in other parts of the State.’11
Opvallend is dat het Hof het ‘one person, one vote’-beginsel bij de vaststelling van districten voor de verkiezingen van de vertegenwoordigende organen van de afzonderlijke deelstaten baseerde op de Equal Protection Clause. In het kader van de verkiezingen voor het federale Huis van Afgevaardigden en de federale Senaat verwees het Hof echter naar artikel I, § 2, van de Amerikaanse Grondwet. Daarin is bepaald dat afgevaardigden van het federale Huis en de Senaat worden gekozen door ‘the People of the several States’ en worden verdeeld ‘among the several States according to their respective Numbers’. Volgens het Hof moet daaruit worden afgeleid dat ook bij de verkiezingen voor het federale Huis van Afgevaardigden en de federale Senaat moet worden gestreefd naar een zo gelijkmatig mogelijke verdeling van de bevolking:
‘We hold that […] the command of Art. I, § 2 that Representatives be chosen ‘by the People of the several States’ means that, as nearly as is practicable, one man’s vote in a congressional election is to be worth as much as another’s.’12
Een terechte vraag is of het ‘one person, one vote’-beginsel daadwerkelijk hanteerbaar is. Zoals Koopmans in het verleden heeft opgemerkt, is het praktisch onmogelijk om tot een volledige wiskundige gelijkheid van alle stemmen te komen. De vraag is daarom veeleer welke mate van ongelijkheid nog aanvaardbaar is.13 Deze vraag is echter moeilijk te beantwoorden. Toch heeft het Hof de lat voor de wetgevers van de deelstaten hoog gelegd, door voor te schrijven dat zij in ieder geval een oprechte poging of een ‘good faith effort’ moeten ondernemen om tot een zo volledig mogelijke wiskundige gelijkheid van alle stemmen te komen.14,15