Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.2.3:3.2.3 Machtenscheiding als achterliggende grondslag
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.2.3
3.2.3 Machtenscheiding als achterliggende grondslag
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233683:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Idem, p. 210.
U.S. Supreme Court 3 juli 1984, 468 U.S. 737 (Allen v. Wright), 750: ‘[T]he ‘case or controversy’ requirement defines with respect to the Judicial Branch the idea of separation of powers on which the Federal Government is founded.’ Vgl. ook U.S. Supreme Court 15 mei 2006, 547 U.S. 332 (DaimlerChrysler Corp. v. Cuno), 340-341. Zie ook paragraaf 5.4 hierna.
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr), 210.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Hof ging vervolgens in op de relatie tussen de political question-doctrine en het beginsel van de machtenscheiding. Namens het Hof schreef Justice Brennan: ‘The nonjusticiability of a political question is primarily a function of the separation of powers.’1 Hieruit volgt dat de doctrine eerst en vooral een uiting is van de machtenscheiding. Hetzelfde geldt overigens voor het hiervoor besproken ‘case-or-controversy’-vereiste uit artikel III, § 2, van de Amerikaanse Grondwet en de genoemde andere doctrines.2 Het Hof benadrukte dat het hierbij uitsluitend gaat om de machtenscheiding op federaal niveau en niet om de verhouding tussen de federale rechter en de afzonderlijke deelstaten: ‘[I]t is the relationship between the judiciary and the coordinate branches of the Federal Government, and not the federal judiciary's relationship to the States, which gives rise to [a] political question.’3