Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.2.1
3.2.1 Inleiding
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233627:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 10 juni 1946, 328 U.S. 549 (Colegrove v. Green).
Idem, p. 556.
Zie Stern en Wermiel 2010 over de rol en invloed van Brennan. Zie voor een beschrijving van de totstandkoming van dit oordeel achter de schermen bijv. Grove 2015, p. 1960-1963; Stern en Wermiel 2010, p. 183-192.
Zie over progressieve en conservatieve rechtsvinding in de Nederlandse literatuur Sillen 2016; Sillen 2015.
Vgl. Stern en Wermiel 2010, p. 183: ‘The case showed Brennan at his best as a tactician and coalition builder, but also highlights his willingness to sacrifice the quality of an opinion’s legal reasoning to get the outcome wanted.’
Baker v. Carr is in essentie voor een groot deel vergelijkbaar met de in het vorige hoofdstuk besproken zaak Colegrove v. Green uit 1946.1 Waar het in die zaak ging om de indeling van kiesdistricten voor het Huis van Afgevaardigden van de staat Illinois, stond in Baker v. Carr de vaststelling van districten voor de verkiezingen van de Senaat en het Huis van Afgevaardigden van de staat Tennessee centraal. Sommige kiesgerechtigden in deze laatste staat meenden dat de toepasselijke, reeds in 1901 vastgestelde, statelijke wetgeving niet langer voorzag in een geschikte formule voor het vaststellen van kiesdistricten en van het aantal afgevaardigden dat per kiesdistrict kon worden gekozen. Zij meenden dat hun stem daardoor in vergelijking met die van kiesgerechtigden in dunner bevolkte districten minder effectief was en dat dit in strijd was met de Equal Protection Clause van de Amerikaanse Grondwet.
Dit betoog kwam overeen met dat van de kiesgerechtigden in Colegrove v. Green. Zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven, zag een kleine meerderheid van het Hof in die zaak van een inhoudelijke beoordeling af. Sommige leden deden dat omdat zij meenden dat de indeling van kiesdistricten een political question betreft. Door het geven van een inhoudelijk oordeel zou de rechter volgens deze leden de politieke arena betreden: ‘Courts ought not to enter this political thicket.’2 In Baker v. Carr werd het Hof in wezen gevraagd of het deze benadering nog steeds onderschreef.
Het Hof zag inderdaad aanleiding voor een andere koers. Daarbij leek het zich bewust van de onduidelijkheid over bepaalde aspecten van de political question-doctrine. Het Hof greep Baker v. Carr aan om hierover meer duidelijkheid te bieden. Justice Brennan, een van de meest liberaal georiënteerde leden in de geschiedenis van het Hof, nam hierbij het voortouw.3
Dat was overigens geen eenvoudige opgave. Sommige leden van het Hof toonden zich aanvankelijk zeer terughoudend om een andere koers te onderschrijven. Daarbij moet worden bedacht dat het Hof met een oordeel dat de vaststelling van kiesdistricten niet langer als een political question had te gelden, de rechter een belangrijke rol zou toekennen in het democratisch proces. Voor liberaal georiënteerde leden van het Hof zoals Brennan, die over het algemeen een sterke rol voor de rechter voorstaan, was dit een wenselijke uitkomst. Onder conservatief georiënteerde leden stuitte dit echter op grote weerstand.4 Toch slaagde Brennan er uiteindelijk in een meerderheid te overtuigen om zich achter de door hem gewenste uitkomst te scharen.5