Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.3.7:7.3.7 Een andere rol voor het relativiteitsvereiste bij het rechterlijk bevel en verbod?
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.3.7
7.3.7 Een andere rol voor het relativiteitsvereiste bij het rechterlijk bevel en verbod?
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692097:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, m.nt. J. Hijma (Duwbak Linda).
HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, NJ 2008/576, m.nt. J.M. Vranken (Iraanse vluchtelinge).
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233(Schietincident Alphen).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
353. De vraag die opdoemt is of het relativiteitsvereiste bij een rechterlijk bevel en verbod een wezenlijk andere rol speelt dan bij een schadevordering. Het antwoord op die vraag luidt in beginsel ontkennend, maar is afhankelijk van de situatie.
354. Ik werk dat uit aan de hand van een aantal voorbeelden. De minst gecompliceerde situatie is die waarin er sprake is van een evidente schending van een rechtsplicht, bijvoorbeeld een grensoverschrijdend bouwwerk. Dat grensoverschrijdende bouwwerk maakt inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar van het aangrenzende perceel. De geschonden norm is hier dat geen inbreuk mag worden gemaakt op andermans eigendomsrecht en die norm strekt zonder twijfel tot bescherming van (alleen) de eigenaar van dat andere perceel. Een vordering van die eigenaar tot vergoeding van schade die wordt geleden wegens het bouwwerk zal niet op het relativiteitsvereiste afstuiten en een vordering strekkende tot een bevel tot afbraak evenmin. Datzelfde geldt voor een vordering die ertoe strekt het bouwwerk te voorkomen. Gesteld dat de eigenaar van het aangrenzende perceel van de bouwplannen op de hoogte raakt voordat die ten uitvoer worden gebracht, kan hij daar tegen optreden.
355. Dit is allemaal anders voor een derde die toevallig van de situatie op de hoogte raakt en zich het lot aantrekt van de eigenaar van het perceel waarop wordt gebouwd. Zijn schadevordering stuit natuurlijk al af op het feit dat hij geen schade lijdt (en hij dus ook geen belang heeft), maar zou evengoed afstuiten op het relativiteitsvereiste. Datzelfde geldt voor zijn vordering strekkende tot een verbod om grensoverschrijdend te bouwen. De norm dat geen inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van X strekt niet tot bescherming van enig recht van Y.
356. Bij deze eenvoudige casus speelt het relativiteitsvereiste dus geen andere rol bij een bevel en verbod dan bij een schadevordering. Maar laten we nu de blik verleggen naar Duwbak Linda. De schadevordering van Van Hasselt op de Staat stuitte af op het ontbreken van relativiteit. De in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn (ROSr) voorziene eis van een certificaat van onderzoek beoogt niet de individuele vermogensbelangen te beschermen van derden die schade lijden, maar beoogt bij te dragen aan het bevorderen van de veiligheid in algemene zin van het scheepvaartverkeer, zo oordeelde de Hoge Raad.1 Die beslissing is op zichzelf prima te volgen, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat het primair de eigenaar van een schip is die ervoor dient zorg te dragen dat de kwaliteit van zijn schip zodanig is dat het schip geen gevaar voor anderen veroorzaakt.
357. Daar staat tegenover dat het belang van anderen bij het vertrouwen op een afgegeven certificaat, evident is. Het draagt bij aan het vertrouwen dat schepen die op de Rijn varen voldoen aan de daaraan te stellen eisen en dus bijvoorbeeld ook dat met de eigenaren van die schepen zaken gedaan kunnen worden zonder het gevaar dat die schepen met lading en al ten onder gaan. Wat nu als Van Hasselt al vóór de keuring van de Linda zijn twijfels had over de kwaliteit van het vaartuig en, om te voorkomen dat zijn wederpartij hem met een ondeugdelijk vaartuig zou opzadelen, van de Staat een verbod zou vorderen de Linda goed te (doen) keuren. Zou er dan anders tegen de situatie moeten worden aangekeken? Ik vrees toch van niet. Hoezeer die vordering ook te begrijpen zou zijn, evenzeer zou moeten worden geconcludeerd dat Van Hasselt in haar zakelijke belangen niet zou worden beschermd door de normen die slechts strekken ter bescherming van het algemene belang van de veiligheid van het scheepvaartverkeer op de Rijn. Dat wringt in dat geval ook niet. Van Hasselt staan andere middelen ten dienste om zijn schade te verhalen of te voorkomen dat hij wordt afgescheept met een ondeugdelijk schip.
358. En de Iraanse vluchtelinge dan2? Hoewel aan haar ten onrechte een toelating als vluchteling was geweigerd stuitte haar schadevordering erop af dat het recht dat zij had op die toelating niet strekte tot bescherming van haar vermogensrechtelijke belangen. Ook die redenering is op zichzelf navolgbaar. Toch is deze situatie een andere. Stel dat zij, na de weigering van de Staat om haar toe te laten als vluchteling, een gebod had gevorderd van de Staat om haar toe te laten, dan zou die vordering niet zijn afgestuit op het relativiteitsvereiste. Ik realiseer mij dat we voor dit gedachtenexperiment het hele systeem van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in vreemdelingenzaken even moeten wegdenken. De grondslag van haar vordering zou zijn geweest dat de Staat in strijd met de op hem rustende verplichting om haar toe te laten als vluchteling (en dus onrechtmatig), haar die toelating had geweigerd. De Staat had haar in die situatie niet kunnen tegenwerpen dat het recht waarin zij bescherming zocht niet strekte tot bescherming van haar vermogensrechtelijke belangen. Maar dat komt omdat zij in die situatie en op dat moment niet alleen bescherming zou hebben gezocht in een vermogensrechtelijk belang, maar veeleer bescherming als vluchteling en dus in een waaier van belangen. Anders dan bij de latere schadevordering zou het vermogensrechtelijke belang in die situatie niet te onderscheiden zijn geweest van het bredere belang waartegen wel bescherming werd geboden. De vermogensrechtelijke belangen van de vluchtelinge liften in dat imaginaire geval dus mee op de andere belangen, maar de vordering strekkende tot een bevel zou niet met een beroep op het relativiteitsvereiste kunnen worden afgeweerd. Daarmee onderscheidt de situatie zich van die van Van Hasselt: Van Hasselt zou ook in de bedachte casus waarin hij een bevel vorderde slechts bescherming hebben gezocht in dezelfde vermogensrechtelijke belangen als die waarvoor zij met haar schadevordering bescherming zocht.
359. Moet uit dit voorbeeld dan worden afgeleid dat het relativiteitsvereiste bij het bevel en verbod een andere rol speelt dan bij schadevorderingen? Toch maar in heel beperkte mate. Want ook bij een schadevordering kunnen situaties worden bedacht waaruit die vordering uit meerdere elementen bestaat en sommige elementen wel, en andere elementen niet worden beschermd door het beschermingsbereik van de geschonden norm. Die niet beschermde elementen liften dan niet mee met de wel beschermde elementen, maar dat maakt de werking van het relativiteitsvereiste niet een andere.
360. Dat het beeld bij een bevel en verbod niet altijd gunstiger is dan bij een schadevordering zou bijvoorbeeld ook kunnen worden afgeleid uit het voorbeeld van het schietincident Alphen.3 De regels van de Wet Wapens en Munitie beogen niet alleen de veiligheid van de samenleving in algemene zin te bevorderen, maar beogen ook te voorkomen dat individuele burgers het slachtoffer worden van vuurwapenbezit dat niet verantwoord is. Het verlenen van het verlof voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in een situatie waarin duidelijk had moeten zijn dat het verlof niet verantwoord was, is daarom onrechtmatig jegens slachtoffers van het daardoor mogelijk gemaakte vuurwapengebruik, aldus de Hoge Raad. Een vordering tot schadevergoeding van een slachtoffer stuit daarom niet af op het ontbreken van relativiteit. Maar als nu een potentieel slachtoffer voorafgaand aan de noodlottige negende april 2011 een bevel had gevorderd tot intrekking van de wapenvergunning van Tristan van de V. (wij moeten dan opnieuw het bestuursrechtelijke stelsel van rechtsbescherming wegdenken) omdat (i) hij wist dat het bezit van een vuurwapen door Tristan onverantwoord was en (ii) hij de kans liep daarmee geconfronteerd te worden? Zou hem of haar dan niet worden tegengeworpen dat het toezicht op de naleving van de vergunningen en de Wet Wapens en Munitie niet is opgedragen aan een potentieel slachtoffer en dat de Wet Wapens en Munitie niet ertoe strekt een mogelijk en onzeker toekomstig risico van een mogelijk slachtoffer te voorkomen? In die situatie slaagt een preventieve vordering dus niet. Ook dat moet worden aanvaard. Het recht is er niet om alle eventualiteiten te voorkomen. Wanneer echter de eventualiteit zich heeft verwezenlijkt (dus na het schietincident), zou een vordering die ertoe strekt een toekomstige herhaling te voorkomen (en die dus ook preventief werkt), theoretisch wel denkbaar zijn. Overigens is in deze situatie discussie mogelijk over de vraag of er een voldoende belang bestaat bij de door mij bedachte vordering. Ik heb achter (ii) aangenomen dat er een kans bestaat dat het potentiële slachtoffer met het vuurwapengeweld zou worden geconfronteerd. Of daarmee in een voorkomend geval daadwerkelijk een belang zal worden gecreëerd is afhankelijk van de specifieke situatie die zich voordoet.
361. Uit deze voorbeelden blijkt dat het relativiteitsvereiste in de kern hetzelfde werkt bij een rechterlijk bevel en verbod als bij een schadevordering, maar afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van een geval meer of juist minder drempels opwerpt. Waar het in de kern op neer komt is dat het relativiteitsvereiste ook bij het rechterlijk bevel en verbod niet kan worden gemist, juist niet in de meest eenvoudige casus. Het lijkt mij althans onwenselijk dat derden die geen enkel belang hebben bij het voorkomen van een bepaalde normschending zich daar toch mee gaan bemoeien.