Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/4.10
4.10 Schuldbeginsel
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS386201:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het schuldbeginsel is een uitgangspunt van het negatief retributivisme. Zie onder andere Husak 2010, p. 163 en Simester & Von Hirsch 2011, p. 30. De straf moet daarbij evenredig zijn aan de schuld en de ernst van het delict. Anders dan utilitaristen, mag je volgens aanhangers van het negatief retributivisme geen onschuldigen straffen om potentiële daders af te schrikken. Becker e.a. 2007, p. 312.
Lindenberg 2007, p. 66, Smith & Hogan 2008, p. 123, Ashworth 2009, p. 75.
EHRM 7 oktober 1988, Salabiaku v. Frankrijk, appl.nr. 10519/83, NJ 1991/351 m.nt. Alkema; Knigge en Wolswijk 2015, p. 52.
De Hullu 2014, p. 214. Dit kan bijvoorbeeld door het aanvoeren van schulduitsluitingsgronden.
Kelk & De Jong 2013, p. 236, Knigge & Wolswijk 2015, p. 50.
Knigge & Wolswijk 2015, p. 50.
HR 14 februari 1916, ECLI:NL:HR:1916:BG9431, NJ 1916/681 (Melk en water).
Zie ook Hofstee 1987, p. 195 en Bins 1981, p. 1-5. Bins zelf staat overigens kritisch tegenover dit schuldbeginsel. Volgens haar kan schuld alleen bestaan uit intentioneel handelen (het zich willens en wetens gedragen).
Zie o.a. Knigge & Wolswijk 2015, p. 143 en HR 19 februari 1963, NJ 1963/512 m.nt. Röling (Verpleegster).
Visser 2001, p. 447.
Visser 2001, p. 447, 483-486.
De Hullu 2014, p. 218.
Het schuldbeginsel houdt in dat alleen degenen die schuldig zijn gestraft mogen worden.1 Het schuldbeginsel wordt op internationaal niveau ook wel aangeduid met het beginsel van mens rea (Latijn voor ‘het schuldige bewustzijn’).2 Dit beginsel kan ook worden afgeleid uit artikel 6 lid 2 EVRM waarin de presumptie van onschuld is verwoord. Alhoewel artikel 6 EVRM voornamelijk procesrechtelijk is georiënteerd, heeft lid 2 tevens implicaties voor het materiële strafrecht. Aan de te bewijzen ‘schuld’ worden bepaalde minimumeisen gesteld van inhoudelijke aard. De strafbaarstelling van een ‘bloot materieel feit’ waarin een vermoeden van schuld besloten ligt, is mogelijk mits er gelegenheid is tegenbewijs te leveren.3 Het vermoeden van schuld moet kunnen worden weerlegd.4
Schuld ziet in eerste instantie op verwijtbaarheid.5 Iemand is pas verwijtbaar als hij ‘er iets aan kon doen’. Dat betekent dat diegene een reële mogelijkheid moet hebben gehad om anders te handelen: er dient een keuzemogelijkheid te zijn. Het gedrag moet vermijdbaar zijn. Of een bepaalde handeling vermijdbaar is, zal normatief worden bepaald. Wat kon in een bepaal- de situatie van een verdachte worden geëist?6 Schuld in de zin van verwijtbaarheid speelt bij alle delicten een rol. De wijze waarop de verwijtbaarheid tot uitdrukking komt bij overtredingen en misdrijven is wel verschillend. De overtredingen in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht bevatten geen subjectieve elementen. Sinds de uitspraak in het Melk en Water-arrest is evenwel duidelijk dat ook bij overtredingen verwijtbaarheid is vereist.7 Verontschuldigbare dwaling disculpeert.8
De verwijtbaarheid is niet hetzelfde als de schuldvormen opzet en culpa bij misdrijven. Opzet omvat juridisch bezien geen verwijtbaarheid, maar betreft willens en wetens handelen of nalaten. Opzet kan onder omstandigheden aanwezig worden geacht terwijl de gedraging niet verwijtbaar is. Dat zal het geval zijn indien de dader zich kan beroepen op schulduitsluitingsgronden zoals ontoerekeningsvatbaarheid of psychische overmacht waardoor de daad niet meer aan de persoon kan worden verweten. Culpa impliceert onder meer verwijtbaarheid, het gaat om verwijtbare en wederrechtelijke aanmerkelijke onvoorzichtigheid.9 Indien sprake is van opzet of culpa en geen schulduitsluitingsgronden worden aangevoerd, wordt de verwijtbaarheid aanwezig geacht.
Het schuldbeginsel hangt in zekere zin samen met het lex certa-beginsel: hoe duidelijker de gedraging in de delictsomschrijving wordt omschreven, des te legitiemer degene die de handeling verricht hierop kan worden aangesproken.10 In de literatuur zijn zorgplichtbepalingen in het strafrecht zonder subjectief bestanddeel (zoals bijvoorbeeld artikel 5 WVW of artikel 5 Wet Luchtverkeer) als voorbeeld gegeven van bepalingen die strijdig kunnen zijn met het schuldbeginsel. Indien zorgbepalingen zeer vaag zijn geformuleerd (en in de tenlastelegging niet nader worden geconcretiseerd), zijn de omstandigheden waaronder strafrechtelijke aansprakelijkheid kan ontstaan niet scherp en duidelijk gespecificeerd, waardoor onduidelijkheid kan bestaan over de vraag welk gedrag verwijtbaar is en wanneer sprake is van schuld.11 Het moet op basis van dit beginsel aldus duidelijk zijn waaraan iemand schuld heeft. Voor de wetgever kan het schuldbeginsel functioneren als een instructienorm subjectieve bestanddelen bij de misdrijven op te nemen en die bestanddelen vervolgens ook een substantiële inhoud te geven.12 Een substantiële inhoud kan gegeven worden door helder uiteen te zetten wat precies het strafrechtelijk verwijt is. Zo maakt het verbod om te handelen met een oogmerk van uitbuiting inzichtelijk dat – een gedraging waarbij willens en wetens wordt gehandeld met de intentie iemand uit te buiten – verwijtbaar is (gesteld dat geen schulduitsluitingsgronden van toepassing zijn). Dit betreft onmiskenbaar gedrag waar de dader ‘iets aan kon doen’. Het was vermijdbaar. Het is bovendien helder waaraan de dader zich schuldig maakt: de uitbuiting van een ander.
De volgende vraag is in het kader van dit beginsel van belang:
Behelst de verboden gedraging een strafrechtelijk verwijt en is voldoende concreet duidelijk waaraan de dader schuld heeft?