Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.3.7
1.3.7 Wederzijdse beïnvloeding
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268443:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 40, eerste lid, sub b, van de ESA-Verordeningen.
Art. 40, eerste lid jo 44, eerste lid van de ESA-Verordeningen. De voorzitter is wel een stemgerechtigd lid in de raad van bestuur van de betreffende ESA (art. 45bis, eerste lid van de ESA-Verordeningen). Met de recente aanpassing van de ESA-Verordeningen zijn de taken van de raad van bestuur uitgebreid (zie de aangepaste art. 47 en 48 van de ESA- Verordeningen). De voorzitter stemt echter niet over (ontwerpen van) gedelegeerde verordeningen, uitvoeringshandelingen, aanbevelingen en richtsnoeren.
Art. 8, eerste lid onder e en art. 30 van de ESA-Verordeningen.
De richtsnoeren worden momenteel herzien, maar de bedoelde Nederlandse best practices blijven in de voorstellen ongewijzigd (zie Hoofdstuk 2).
Zie de Confirmation of compliance with guidelines, Guidelines compliance table (ESMA35-43-1215
Art. 26, eerste lid en achtste lid van de SSM-Verordening.
Art. 26, eerste lid van de SSM-Verordening.
Aldus G. ter Kuile, Het Europese Bankentoezicht. De werking van het SSM (Financieel Juridische reeks, deel 17), Zutphen: Uitgeverij Paris 2020, p. 69.
Art. 26, achtste lid van de SSM-Verordening.
Art. 3 e.v. SSM-Kaderverordening. Zie ook Overweging (37) van de SSM-Verordening.
Zie Hoofdstuk 2, par. 2.3.3 en Hoofdstuk 7, par. 7.2.2 en 7.4.2.
ECB, “Annual Report on supervisory activities 2017,” maart 2018, p. 86 (“The ECB has also approved an alternative fit and proper process, which allows, under certain conditions, decisions to be made by the ECB on the sole basis of NCAs’ assessments”).
Zie art. 14, tweede lid en art. 15, tweede lid van de SSM-Verordening. Daarbij kan ook in deze voorbereidingsfase worden samengewerkt met de ECB (zie art. 6, tweede lid, SSM-Verordening). Zie voor de rechtsbescherming tegen deze besluiten ook de (prejudiciële) uitspraak van het HvJ EU van 19 december 2018, C-219/17, ECLI:EU:C:2018:1023 (Silvio Berlusconi, Finanziaria d’investimento Fininvest SpA (Fininvest)/ Banca d’Italia, Instituto per la Vigilanza Sulle Assicurazioni (IVASS), nader te bespreken in Hoofdstuk 7.
Art. 14, tweede lid van de SSM-Verordening en art. 75 SSM-Kaderverordening en Kamerstukken II, 2014/15, 34 049, nr. 3, p. 7 en 8.
In het voorgaande is hoofdzakelijk ingegaan op de invloed van Europese ontwikkelingen op het Nederlandse systeem van personentoetsingen. Andersom kunnen echter ook de Nederlandse regelgeving en toetsingspraktijken een stempel drukken op de ontwikkelingen in Europa.
Zo beslist Nederland, als een van de (na uittreding van het Verenigd Koninkrijk) 27 lidstaten, uiteraard mee over de totstandkoming van Europese richtlijnen en verordeningen en kan daarbij zijn stem laten horen, ook over de onderdelen die betrekking hebben op personentoetsingen. Belangrijk is voorts dat de vertegenwoordigers van de Nederlandse toezichthouders, AFM en DNB, lid zijn van de raad van toezichthouders bij de verschillende ESA’s.1 De raad van toezichthouders is het hoogste besluitvormende orgaan binnen de ESA’s en alleen de nationale toezichthouders beschikken over stemrecht. De raad beslist over onder meer over de voorbereidingen voor nieuw op te stellen (gedelegeerde) verordeningen en stelt de eerder genoemde richtsnoeren vast.2
Verschillende van deze richtsnoeren zijn voorafgegaan door zogenaamde peer reviews, collegiale toetsingen waarbij de toezichtpraktijken van de verschillende met elkaar worden vergeleken en best practices worden geïdentificeerd die, bijvoorbeeld, in een later stadium in richtsnoeren kunnen worden vastgelegd.3 Op deze manier hebben meerdere Nederlandse best practices hun weg gevonden in de Richtsnoeren van EBA en ESMA van 2017, waaronder de gedetailleerde Beleidsregel Geschiktheid, de lijst met relevante competenties, het gebruik van interviews en de geschiktheidsmatrix voor het beoordelen van de geschiktheid van het collectief (zie ook Hoofdstuk 2).4 Nu de ECB, net als de nationale toezichthouders in andere lidstaten, deze richtsnoeren toepast, krijgen deze werkwijzen ook in Frankfurt en elders in Europa vaste grond onder de voeten.5
Daarnaast geldt dat het Europese bankentoezicht berust op een gemeenschappelijk toezichtmechanisme, dat bestaat uit zowel vertegenwoordigers van de ECB als van de nationale bevoegde autoriteiten. In de Nederlandse context is dit DNB. In de praktijk is de Supervisory Board (Raad van Toezicht) het belangrijkste orgaan binnen het SSM.6 De Supervisory Board bestaat uit een voorzitter en een vice-voorzitter, vier vertegenwoordigers van de ECB, en alle vertegenwoordigers van de nationale toezichthoudende autoriteiten (waaronder DNB).7 Hoewel de ECB invloed heeft op de dagelijkse vormgeving van het toezicht en het beleid, is de ECB in de Supervisory Board in de minderheid en kan zij worden “weggestemd” door de nationale autoriteiten.8 De President van DNB maakt voorts deel uit van de Governing Council (Raad van Bestuur), het hoogste besluitvormende orgaan van de ECB. In dit orgaan worden de toezichtbesluiten in de meeste gevallen genomen conform de “no objection-procedure”, waarbij de besluiten aan de Governing Council worden voorgelegd en voorbereid door de Supervisory Board.9
Het dagelijks toezicht op de Nederlandse significante banken vindt plaats in Joint Supervisory Teams, gezamenlijke toezichtteams die bestaan uit zowel medewerkers van de ECB als van DNB,10 en de personentoetsingen bij significante banken worden in belangrijke mate door DNB (en de AFM), in samenwerking met het toezichtteam en de betrokken ECB- divisies, voorbereid.11 Sommige toetsingsbesluiten (bij kleinere, maar toch significante banken) worden zelfs uitsluitend voorbereid door de nationale bevoegde autoriteiten, zoals DNB.12
Het proces van vergunningverlening en het proces van afgifte van een verklaring van geen bezwaar, waar personentoetsingen in beide gevallen onderdeel van uitmaken, worden aangeduid als common procedures. Het betreft gezamenlijke procedures: DNB stelt (in samenwerking met de AFM) het concept-besluit op, waarna de ECB het besluit neemt.13 Oordeelt DNB dat de vergunningaanvraag moet worden afgewezen, bijvoorbeeld wegens gebreken in de geschiktheid of de betrouwbaarheid, dan is zij zelfstandig bevoegd om aldus te besluiten.14
De Nederlandse toezichthouders zijn dus, al met al, ook bij het Europese bankentoezicht nauw betrokken en kunnen hier hun invloed doen gelden.