Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.4.3
6.3.4.3 Het pacta sunt servanda-beginsel en de hoogte van het omslagpunt
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS377504:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de strengheid van de onaanvaardbaarheidsmaatstaf bijv. Snijders 2007, p. 8; Drion & Van Wechem, p. 570; en Valk 2002, p. 4-6. Kritisch over de rechterlijke terughoudendheid die in het onaanvaardbaarheidbestanddeel wordt gelezen, is Reurich 2005, p. 8-9.
HR 27 juni 1997, NJ 1997, 719(Setz/Brunings) m.nt. Hijma; HR 21 mei 1976, NJ 1977, 73(Oosterhuis/Unigro) m.nt. GJS; en HR 9 mei 1969, NJ 1969, 338(Van der Pol/De Jong) m.nt. HD.
Stolp 2007a, p. 248.
Viney 2001, p. 185-186. Zie voor het Belgische recht Wéry 1993, nr. 170-173, p. 236-239. Indien de gevolgen van nakoming voor de schuldenaar bijzonder nadelig zijn, is een gebrek aan belang van de schuldeiser bij nakoming in vergelijking met schadevergoeding een indicatie voor `abus de droit', zie Lonis-Apokourastos, 2003, p. 48.
Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 90.
Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 70; Lorenz & Riehm 2002, nr. 310; en Anw.komm./Dauner-Lieb 2005, § 275, nr. 38. Helm 2005, p. 115, schrijft: 'Die Grenze des vom Schuldner zu fordernden Aufwands muss immer dort liegen, wo den Schuldner völlig unökonomische oder ihn wirtschaftlich ruinerende Leistungsanforderungen treffen würden.' Müko/Busche 2005, § 635, nr. 30 schrijft dat: `§ 275 Abs. 2 nur extrem gelagerte Ausnahmefälle erfasst'.
BT-Drucks 14/6040, p. 130.
Canaris 2001, p. 501; Zimmer 2002, p. 3; en Palandt/Heinrichs 2005, § 275, nr. 27.
Voor het Nederlandse recht Stolp 2007a, p. 244-245 en 248. Voor het Duitse recht, zie Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 90; Canaris 2004, p. 221 en 223; Anw.komm./Dauner-Lieb 2005, § 275, nr. 7; en Canaris 2001, p. 501 en 521.
Lorenz & Riehm 2002, nr. 310
De Romeinsrechterlijke basis van het beginsel dat later als pacta sunt servanda geldt wordt veelal teruggevoerd op D. 2.14.7.7, `Praetor ait pacta servabo'. Het adagium heeft volgens Schrage echter geen romeinsrechtelijke, maar canonieke wortels, zie Schrage 2008, p. 47-50.
Lokin 2002, p. 189.
Vgl. Hallebeek 2006, nr. 509-516, p. 363-367; en Zimmermann 1996, p. 576-579.
Dondorp 2008, p. 265-267.
Murphy 2007, p. 10: 'The ethics of promising does not provide clear 'remedies' for breach in the same sense in which contract law does'.
Fried 1981, p. 15-17; en Fried 2007a, p. 7, zie ook par. 5.3.3.4.
Bellivier & Sefton-Green 2001, p. 108; Laithier 2005, p. 111-112; en Laithier 2004, p. 39-92.
Asser/Hartkamp 2005 (4-11), nr. 34.
Zie ook Neufang 1998, p. 332, die het over de opvoedkundige waarde van het pacta sunt servanda-beginsel heeft. Zie over de ethische lading van het contractenrecht ook par. 2.5 en par. 5.3.3.4.
Vgl. Vogt 2005, p. 78.
Vgl. Asser/Scholten 1974 (alg. deel), p. 17, die het vertrouwen in het woord van de ander als maatschappelijke noodzaak aanmerkt. Zie in dit verband ook Shiffrin 2007, p. 752. Kaplow & Shavell 2002, p. 211-212 roepen op tot psychologisch en sociologisch onderzoek naar de vraag of de keuze van een contractenrechtelijke remedie effect heeft op het maatschappelijk bewustzijn van het 'belofte maakt schuld'-principe. Dergelijk onderzoek lijkt ook mij zinvol. In het verlengde van het hier besproken onderwerp ligt de oproep van ChaoDuivis, tot rechtssociologisch onderzoek naar de vraag of het maatschappelijk belang vereist dat overeenkomsten binden, zie Chao-Duivis 2000, p. 51.
Eisenberg 2005, p. 1012-1013, meent dan ook dat een rechtsstelsel dat het nakomen van afspraken niet stimuleert, afbreuk doet aan de morele kracht van het beginsel van trouw aan het gegeven woord.
Voor Pufendorf ligt de betekenisgevende nadruk van het pacta sunt servanda-adagium in het geheel op het aspect van de sociale samenhang, geabstraheerd van de individuele belangen van partijen, zie Hyland 1994, p. 429. Deze nadruk wordt ook in het internationale recht op het beginsel gelegd, zie bijv. Wehberg 1959, p. 775786; en Kunz 1945, p. 180-197. Stolp 2007a, p. 186-187 en p. 244-245 en 248; en Neufang 1998, p. 332-334, zien wel een functie weggelegd voor het pacta sunt servanda-beginsel op het microniveau van de individuele partijrelatie.
Het subjectieve schuldeisersbelang wordt wel beschermd door het vertrouwensbeginsel, zie daarvoor par. 6.3.6.2.
Zie par. 6.2.
Vgl. Stolp 2007a, p. 244, die van mening is dat een vergelijking met alternatieve remedies ter beoordeling van de redelijkheid van nakoming niet in overeenstemming is met de plaats die het recht op nakoming in ons wettelijk bestel is toebedeeld.
Ook Mak wijst erop dat bij een open redelijkheidsvergelijking tussen nakoming en schadevergoeding zonder het recht op nakoming te prioriteren het recht op nakoming snel zal worden overwoekerd door schadevergoeding, zie Mak 2006, p. 197. Verschillende Nederlandse auteurs lijken hierop echter geen acht te slaan bij hun op het Amerikaanse of Engelse recht gebaseerde voorstellen tot introductie van een subsidiariteitstoets bij nakoming, zie bijv. Van Bijnen 2003, p. 710-715 en 735-740. Aan dit euvel leiden m.i. ook de voorstellen van Visscher 2007, 390 e.v.; Barendrecht 2000, p. 21-23; en, in mindere mate Van Wijck 2007, p. 332-333. In Frankrijk is de door de rechtseconomie ingegeven 'theorie van de equivalentie van de contractenrechtelijke remedies' bekritiseerd door Debily 2002, nr. 41-53 p. 56-67.
De bestaande redelijkheidsnormen naar Nederlands recht geven niet concreet aan wanneer het belang van de schuldenaar om niet na te komen zwaarder weegt dan het belang van de schuldeiser bij nakoming. Wel is duidelijk dat zij de schuldenaar van zijn nakomingsverplichting ontslaan als er een extreme wanverhouding bestaat tussen het schuldeisersbelang en het schuldenaarsbelang. De schuldenaar kan zich tegen nakoming verweren als: 1.) aan de strenge onaanvaardbaarheidsmaatstaf van art. 6:248 lid 2 is voldaan;1 2.) nakoming onevenredige offers van de schuldenaar vergt (relatieve onmogelijkheid);2 3.) de schuldenaar geen rekening heeft gehouden met de redelijke belangen van de schuldenaar (Multi Vastgoed); of, 4.) nakoming buiten verhouding is (art. 7:21 lid 4 en lid 5). Vanwege de hoogliggende bevrijdingsgrens ziet Stolp slechts een beperkte ruimte voor de werking van het proportionaliteitsbeginsel bij nakoming:3
In de voorgaande hoofdstukken heb ik het proportionaliteitsbeginsel dan ook gekarakteriseerd als een 'vangnet' dat ertoe strekt excessen, gevallen van 'flagrante' disproportionaliteit, op te vangen en te voorkomen. Dat het proportionaliteitsbeginsel ook bij de nakoming een dergelijke beperkte 'vangnet-functie' heeft, is mijns inziens alleszins juist.
Ook het Franse recht legt de lat hoog bij de bevrijding van de schuldenaar. Een schuldenaar kan zich in beginsel pas van zijn nakomingsverplichting bevrijden als er sprake is van `abus de droit'.4 Naar Duits recht kan een schuldenaar zich met succes tegen nakoming verweren als een grove wanverhouding (`ein grobes Missverhältnis') bestaat tussen het schuldeisersbelang en het belang van de schuldenaar (§ 275 Abs. 2). De discrepantie moet bijzonder groot zijn:5
Ist dieser Grad evidenter Unsinnigkeit nicht erreicht, schadet die bloβe Unwirtschaftlichkeit dem Glaübiger nicht.
De mate van wanverhouding moet in termen als drastisch, eclatant en extreem te omschrijven te zijn.6 De Duitse wetgever:7
Das Missverhältnis muss also ein besonders krasses, nach Treu und Glauben untragbares Ausmaβ erreichen.
De belangrijkste maatstaf van § 275 Abs. 2 is wellicht de terughoudendheid die de rechter in acht moet nemen om een schuldenaar van zijn nakomingsverplichting te ontslaan.8
Waarom wordt een schuldenaar naar Nederlands, Duits en Frans recht pas bij een extreme wanverhouding van zijn nakomingsplicht ontslagen?
Veel auteurs voeren het pacta sunt servanda-beginsel aan ter verklaring van de grote wanverhouding.9 Zo schrijven Lorenz en Riehm:10
Die Beschränkung des § 275II auf ein "grobes" Miβverhältnis dient dabei dem Schutz des Grundsatzes `pacta sunt servanda' und ist daher gründsäzlich streng auszulegen.
Het is overigens niet zo dat van oudsher het recht op nakoming op het pacta sunt servanda-beginsel werd gebaseerd. Sterker nog, bij het verband tussen het pacta sunt servanda-beginsel en het recht op nakoming kunnen vraagtekens worden geplaatst. Het pacta sunt servanda-beginsel,11 dat reeds een boekenkast aan literatuur heeft opgeleverd,12 is in het canonieke recht tot ontwikkeling gekomen om de naar Romeins recht krachteloze 'blote afspraak' (pactum nudum) afdwingbaar te maken.13 Het pacta sunt servanda-beginsel, dat in de tijd van de glossatoren geen algemeen erkend beginsel was, schreef niet voor of een materieel recht afdwingbaar moest zijn met een actie tot nakoming of tot schadevergoeding.14
Ook voor het hedendaagse recht volgt niet ondubbelzinnig uit het pacta sunt servanda-beginsel via welke remedie contractuele afspraken afdwingbaar moeten zijn.15 Zo destilleert Fried uit de morele verplichting om beloftes na te komen de verplichting voor de schuldenaar om bij een tekortkoming vervangende schadevergoeding te betalen.16 Niet alleen het recht op nakoming, maar ook het recht op schadevergoeding kan dus op het pacta sunt servanda-beginsel worden gebaseerd. In Frankrijk heeft een aantal auteurs kritiek geuit op de vanzelfsprekendheid waarmee wordt aangenomen dat alleen het recht op nakoming uitdrukking geeft aan het pacta sunt servanda-beginsel. Volgens die auteurs leent het recht op schadevergoeding zich daarvoor niet minder goed.17
Toch is er veel voor te zeggen om het primaat van nakoming op het pacta sunt servanda-beginsel te gronden. De ethische waarde die het pacta sunt servandabeginsel belichaamt, namelijk dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun handelen, komt het zuiverst tot uitdrukking in het recht op nakoming.18 Gedwongen nakoming confronteert schuldenaren immers met de gedragingen die zij vrijwillig hadden moeten verrichten.19 Het primaat van het recht op nakoming weerspiegelt op de meest natuurlijke wijze de ethische waarde dat mensen zich aan hun woord moeten houden. De reflectie van deze fundamentele waarde in het recht is betekenisvol, omdat het kan leiden tot een internalisering van de ethische waarde van trouw aan het gegeven woord20 in het sociale bewustzijn.21 Zo schrijft Eisenberg:22
Legal rules rest in significant part on social norms, reputational effects rest in significant part on social norms, and social norms are reinforced by legal rules and supported by reputational effects
Het primaat van nakoming dient mijns inziens dan ook op het pacta sunt servanda-beginsel te worden gebaseerd. Dat geldt echter niet voor de (extreme) wanverhouding tussen het schuldeisersbelang en het schuldenaarsbelang die de open redelijkheidgrenzen van nakoming vereisen. Uit het pacta sunt servanda-beginsel kan niet worden afgeleid hoe hoog de nakomingskosten moeten zijn gestegen voor een succesvol beroep op de onredelijkheid van nakoming. Slechts het primaat van nakoming kan op het pacta sunt servanda-beginsel worden geënt, niet tot welk niveau dat primaat moet worden beschermd. Onjuist is mijns inziens dan ook de opvatting dat het pacta sunt servanda-beginsel voorschrijft dat een schuldenaar pas is ontslagen van zijn nakomingsverplichting als er sprake is van een (extreem) grove wanverhouding tussen het schuldeisersbelang en het schuldenaarsbelang.
Het pacta sunt servanda-beginsel speelt mijns inziens slechts een rol op macroniveau, op het niveau van de inrichting van het contractenrecht.23 Het pacta sunt servanda-beginsel strekt niet ter bescherming van het subjectieve schuldeiserbelang.24 Het pacta sunt servanda-beginsel schrijft nakoming als primaire remedie voor, omdat het recht op nakoming op de meest beeldende wijze vormgeeft aan de ethische waarde van trouw aan het gegeven woord. De onderstreping van de ethische waarde van trouw aan het gegeven woord komt echter ook, zij het iets minder pregnant, tot uitdrukking wanneer de bevrijdingsgrens van nakoming voor de schuldenaar lager wordt gelegd dan bij de huidige normen.25
Voor de onderstreping van de ethische waarde van trouw aan het gegeven woord is niet vereist het recht op nakoming pas te laten ophouden bij een extreme wanverhouding. Op grond van mijn interpretatie van het pacta sunt servandabeginsel dient het primaat van nakoming te worden veiliggesteld, maar verschaft het beginsel geen houvast voor wat betreft de mate van bescherming. Kortom, het primaat voor nakoming, maar met mate.
Uit het primaat van nakoming vloeit voort, dat de schuldenaar zich niet reeds van zijn nakomingsverplichting kan bevrijden door te verwijzen naar een voor hem goedkoper alternatief. 26 Dit is niet anders als de schuldeiser geen aantoonbaar belang heeft bij zijn vordering tot nakoming in vergelijking met het goedkopere alternatief. 27 Slechts als er sprake is van een discrepantie tussen het schuldeisersbelang bij nakoming en het nadeel van nakoming voor de schuldenaar kan het recht op nakoming komen te vervallen. Deze discrepantie hoeft echter niet zo groot te zijn als de geldende normen van relatieve onmogelijkheid vereisen.