Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/5.3.1
5.3.1 De regeling
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686224:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De uiterste consequentie zou zijn dat een curator van een negatieve boedel q.q. in staat van faillissement zou kunnen worden verklaard. De Hoge Raad heeft deze mogelijkheid verworpen in HR 26 april 1923, NJ 1923/833.
Waarbij onder vermogen (voornamelijk) zal moeten worden verstaan: schulden.
Ditzelfde geldt voor de schuldenaar die binnen deze periode van drie jaar een eigen aangifte faillietverklaring wil indienen.
In 2015 is hiervan bijvoorbeeld sprake in 73% van de gevallen waarin in dat jaar een faillissement werd beëindigd (zie CBS 2016, p. 18; zie ook de tabel op p. 19 waaruit blijkt dat in 2004, 2006, 2008 en 2010 eveneens het merendeel van de faillissementen werd beëindigd vanwege gebrek aan baten).
Zie ter vergelijking het aantal artikelen dat is gewijd aan de minder frequent voorkomende situatie dat het faillissement eindigt na een uitdelingsprocedure (artikel 173 tot en met 194 Fw).
Zie o.a. Smits 1935, p. 62 en Polak 1972, p. 344.
Indien in een faillissement, nadat de curator alle baten te gelde heeft gemaakt, onvoldoende boedelactief aanwezig is om de boedelschuldeisers te voldoen, is er sprake van een zogenaamde negatieve boedel. Er doet zich dan opnieuw een concursus creditorum voor.1 De rechtbank kan in een dergelijke situatie ex art. 16 Fw de opheffing van het faillissement bevelen. Dit wordt ook wel genoemd een opheffing bij gebrek aan baten of een opheffing vanwege de toestand van de boedel.
De opheffing heeft tot gevolg dat de curator defungeert en de schuldenaar weer het beheer en de beschikking over zijn vermogen2 verkrijgt. Schuldeisers kunnen op grond van de normale (buiten faillissement geldende) regels weer executiemaatregelen treffen, met dien verstande dat een schuldeiser op grond van artikel 18 Fw uitsluitend binnen drie jaar na de opheffing van het faillissement opnieuw een aanvraag tot faillietverklaring kan indienen, indien wordt aangetoond dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden.3
In de praktijk wordt het merendeel van de faillissementen opgeheven bij gebrek aan baten.4 Desondanks is de wettelijke regeling (neergelegd in de artikelen 16-18 Fw) summier te noemen.5 Door het lapidaire karakter van de regeling is in het verleden discussie ontstaan over de vraag of de paritas creditorum in het kader van de afwikkeling van een faillissement bij gebrek aan baten wel van toepassing is.6 Dit brengt mij op de (mogelijke) rol van de paritas creditorum in het kader van de opheffing van een faillissement bij gebrek aan baten.