Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.4.2.3
5.4.2.3 Standing, het algemeen belang en verkapte political questions
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233759:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover bijv. Tribe 2000, p. 415-420.
U.S. Supreme Court 25 juni 1974, 418 U.S. 166 (United States v. Richardson).
Idem, p. 179.
Tushnet 2002, p. 1214; Tushnet 2007, p. 57. Vgl. ook Choper 2005, p. 1472-1476; Shane, Bruff en Kinkopf 2018, p. 110: ‘In these cases, the practical effect of the court’s decision equates to a ruling that an issue is a political question.’
U.S. Supreme Court 15 mei 2006, 547 U.S. 332 (DaimlerChrysler Corp. v. Cuno).
Idem, p. 346.
Anders dan in de zojuist besproken zaken, werd ‘federal taxpayer standing’ wel aangenomen in U.S. Supreme Court 10 juni 1968, 392 U.S. 83 (Flast v. Cohen). Zie hierover ook Tribe 2000, p. 421-424.
Vgl. ook Scalia 1983, p. 892: ‘If the determination of whether a particular federal expenditure constitutes an establishment of religion cannot be made the business of the courts at the instance of a federal taxpayer, it is difficult to imagine who else could possibly bring it.’
De zojuist genoemde rechtspraak waaruit volgt dat een algemeen gevoel van ongenoegen of onbehagen over een bepaalde situatie of praktijk onvoldoende is om standing aan te nemen, verdient op deze plaats bijzondere aandacht.1 Deze rechtspraak heeft het Hof in het verleden onder meer toegepast in geschillen waarin belastingwetgeving of andere wetgeving aan de orde was die eisers niet rechtstreeks in hun belangen raakte. Het Hof nam daarom aan dat de beroepen veeleer waren ingegeven door een algemeen gevoel van ongenoegen of onbehagen over een bepaalde maatregel.
Ter illustratie kan worden gewezen op de zaak United States v. Richardson.2 Deze zaak gaat over de verplichting voor de regering om inzage te geven in de uitgaven van overheidsinstanties. De uitgaven van de CIA zijn daarvan uitgezonderd. De heer Richardson was het daar niet mee eens en startte een procedure waarin hij betoogde dat de wetgeving die in deze uitzondering voorzag ongrondwettig is. Het Hooggerechtshof concludeerde dat Richardson geen standing had, nu niet was gebleken van een concreet en individualiseerbaar nadeel. Deze procedure moest daarom worden geacht te zijn ingegeven door een algemeen gevoel van ongenoegen over een bepaalde situatie.
De keerzijde van deze benadering is dat een onwenselijk geachte situatie mogelijk in het geheel niet voor de rechter kan worden aangevochten, mede afhankelijk van de bereidheid van andere burgers om daartegen op te komen en hun hoedanigheid. Toch is dit volgens het Hof geen reden om een ruimere benadering te hanteren en alsnog standing aan te nemen. In de zojuist bedoelde gevallen ligt het uiteindelijk op de weg van de andere staatsmachten om de onwenselijk geachte situatie nader te bezien en eventueel te heroverwegen. Of zoals het Hof het in United States v. Richardson formuleerde:
‘It can be argued that, if respondent is not permitted to litigate this issue, no one can do so. In a very real sense, the absence of any particular individual or class to litigate these claims gives support to the argument that the subject matter is committed to the surveillance of Congress, and ultimately to the political process.’3
In de literatuur is terecht de vraag gesteld of het oordeel dat standing in de hiervoor bedoelde geschillen ontbreekt, terwijl het op voorhand zeer de vraag is of er burgers zijn die wel aan alle voorwaarden voor standing voldoen, niet als een ‘verkapte’ political question heeft te gelden. Of zoals Tushnet het heeft omschreven: ‘This comes very close to asserting that the question presented was a political one.’4
Een ander voorbeeld kan dit verder verduidelijken. In de zaak Daimler-Chrysler Corp. v. Cuno werd het Hooggerechtshof gevraagd zich uit te spreken over belastingvoordelen die een deelstaat had toegekend aan autofabrikanten.5 Sommige belastingbetalers waren het daar niet mee eens. Zij meenden dat hierdoor minder geld beschikbaar was voor het realiseren van bepaalde beleidsdoelen. Ook in dit geval oordeelde het Hof dat standing ontbrak, nu niet was gebleken van een concreet en individualiseerbaar nadeel voor individuele belastingbetalers. Volgens het Hof zijn beslissingen op fiscaal gebied bij uitstek aan de wetgever en afhankelijk van politieke keuzes. Het aannemen van standing zou daarmee op gespannen voet staan:
‘State policymakers, no less than their federal counterparts, retain broad discretion to make policy decisions concerning state spending in different ways depending on their perceptions of wise state fiscal policy and myriad other circumstances. Federal courts may not assume a particular exercise of this state fiscal discretion in establishing standing […].’6
Kortom: in zaken waarin wetgeving wordt aangevochten door burgers die daardoor niet rechtstreeks en individueel worden geraakt, maar zich om persoonlijke redenen daar niet mee kunnen verenigen, zal standing een moeilijk te nemen horde zijn. De zojuist besproken zaken illustreren dat dit onder meer geldt bij belastingwetgeving.7 Omdat het zeer de vraag is of er burgers zijn die wel aan alle voorwaarden voor standing voldoen, is het niet ondenkbaar dat dergelijke wetgeving uiteindelijk helemaal niet bij de rechter kan worden aangevochten.8