Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.4.2.1
5.4.2.1 Verhouding tot de political question-doctrine
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233634:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr). 204.
Rotunda en Nowak 2012, p. 463.
Zie bijv. Shane, Bruff en Kinkopf 2018, p. 110: ‘[A] standing holding only says ‘not you’, instead of ‘never’, leaving the other branches to wonder whether the Court might someday fund a suitable plaintiff if sufficiently tempted to do so.’ Zie in dezelfde zin Scalia 1983, p. 891, onder verwijzing naar U.S. Supreme Court 10 juni 1968, 392 U.S. 83 (Flast v. Cohen): ‘Standing […] is only meant to assure that the courts can do their work well, and not to assure that they keep out of affairs better left to the other branches.’
U.S. Supreme Court 25 juni 1974, 418 U.S. 208 (Schlesinger v. Reservists Committee), 215.
Vgl. ook U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr), 204-208; U.S. Supreme Court 16 juni 1969, 395 U.S. 486 (Powell v. McCormack), 517-518.
Vgl. Shane, Bruff en Kinkopf 2018, p. 107-108. Zie ook Simard 1996; Rotunda en Nowak 2012, p. 364.
Zie bijv. Jaffe 2011, p. 1056: ‘The potential far-reaching implications of the political question doctrine should lead courts to be cautious when applying the doctrine.’
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr), 217.
Of eiser standing heeft, hangt uiteindelijk af van feiten en omstandigheden die in zijn sfeer liggen. Volgens het Hof zal eiser ‘a personal stake’ moeten hebben in de uitkomst van het geschil.1 Dit maakt dat de ene eiser wel standing kan hebben en de andere eiser niet. Het oordeel dat standing ontbreekt, heeft daarmee in beginsel een relatief en geen absoluut of zaakoverstijgend karakter. Bij de political question-doctrine is dit wezenlijk anders: omdat de toepassing van deze doctrine afhankelijk is van het voorwerp of onderwerp van het geschil, heeft de conclusie dat een political question aan de orde is in beginsel wel een absoluut of zaakoverstijgend karakter.2 Standing is in zoverre veel minder verstrekkend dan de political question-doctrine.3
Om die reden ligt het volgens het Hooggerechtshof voor de hand om eerst na te gaan of eiser standing heeft. Of een political question aan de orde is, komt volgens het Hof in beginsel eerst daarna aan de orde:
‘The more sensitive and complex task of determining whether a particular issue presents a political question causes courts […] to turn initially, although not invariably, to the question of standing to sue.’4
Deze overweging impliceert een voorkeur van het Hooggerechtshof om een geschil over de boeg van standing af te doen in plaats van over de boeg van de political question-doctrine. De rechter komt volgens het Hof alleen aan deze laatste doctrine toe wanneer is vastgesteld dat eiser standing heeft.5 Standing wordt daarom ook wel omschreven als een ‘major avoidance doctrine’ die in de praktijk veel belangrijker is dan de political question-doctrine.6
In de literatuur is niet ten onrechte gesteld dat de rechter dan ook behoedzaam te werk moet gaan bij de toepassing van de political question-doctrine, nu het oordeel dat een political question aanwezig is een absoluut en zaakoverstijgend karakter heeft.7 Dit is niet alleen in lijn met de zojuist besproken rechtspraak van het Hooggerechtshof over de verhouding tussen de political question-doctrine en standing, maar ook met Baker v. Carr. Zoals eerder beschreven, benadrukte het Hof reeds in die zaak dat de rechter niet snel tot een political question mag concluderen: ‘Unless one of these formulations is inextricable from the case at bare, there should be no dismissal for nonjusticiability on the ground of a political question’s presence.’8