De rol van de paritas creditorum bij een faillissement
Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.6:3.6 Resumé
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.6
3.6 Resumé
Documentgegevens:
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686231:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan de faillissementsprocedure ligt het (formele) beginsel van de gelijkheid van schuldeisers ten grondslag. Dit beginsel strekt ertoe de belangen van de faillissementsschuldeisers te behartigen. Faillissementsschuldeisers die zich in een gelijke situaties bevinden, moeten ook gelijk worden behandeld. Voor de vraag of er sprake is van een gelijk geval, is in faillissement de positie van een schuldeiser in het kader van een individuele beslagexecutie het dominante perspectief.
In de beheerfase komt het beginsel met name tot uitdrukking in artikel 26 Fw (jo. 110 Fw). Concurrente en preferente faillissementsschuldeisers worden hierbij gelijk behandeld doordat zij uitsluitend kunnen participeren in de faillissementsprocedure door de indiening van hun vordering ex artikel 110 Fw.
Schuldeisers met een eigendomsrecht zijn – in vergelijking met faillissementsschuldeisers – een ongelijk geval. Hetzelfde geldt voor faillissementsschuldeisers met een passieve verbintenis, te weten tot een dulden of een niet doen. Zij hebben aanspraken die vergelijkbaar zijn met een schuldeiser in het kader van een reële executie. Separatisten zijn in vergelijking met faillissementsschuldeisers ook een ongelijk geval. Zij hebben geen aanspraak in het kader van de beslagexecutie, maar in het kader van de parate executie. Tot slot is ook een ongelijk geval een schuldeiser met een verbintenis die niet voor verificatie in aanmerking komt, terwijl er geen sprake is van een boedelverbintenis. In het kader van een beslaglegging zou een dergelijke aanspraak ook niet meedoen.
Voor boedelschuldeisers, die in een andere concursus verzeild zijn geraakt dan de faillissementsschuldeisers, geldt in deze concursus hetzelfde in de beheerfase, met dien verstande dat zij hun rechten niet geldend kunnen maken door indiening van hun vordering ter verificatie. Via de band van de redelijkheid en billijkheid, die doorwerkt via artikel 3:12 BW, komt het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers in die verhouding als regel tot uitdrukking.
Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers komt ook tot uitdrukking in de door de Hoge Raad geformuleerde gelijkheidsregel. Deze gelijkheidsregel geeft een materiële invulling aan het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers, met name door te bepalen of een schuldeiser zich terecht niet aansluit bij de groep van faillissementsschuldeisers die hun vordering ex artikel 26 Fw ter verificatie indienen. De gelijkheidsregel strekt er hierbij toe een voorkeursbehandeling te voorkomen.
Aan de paritas creditorum ex artikel 3:277 BW wordt in de beheerfase niet toegekomen. Het gaat hier om een verdelingsregel die pas in beeld komt zodra er uitkeringen worden gedaan aan schuldeisers van de schuldenaar in het kader van de verdeling van de opbrengst.