Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.4.0
3.4.0 Introductie
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS402004:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van den Heuvel 2004, p. 193.
Van den Heuvel 2004, p. 134-135 wil een generiek zekerheidsrecht introduceren voor de financierende bank, omdat deze kredietverlening in combinatie met monitoringactiviteiten een positieve invloed heeft op de kredietwaardigheid en continuïteit van de onderneming.
Zie over dit argument, dat in hoofdstuk 2, paragraaf 2.4 is betiteld als ‘voorrangsargument’, hierna in paragraaf 3.4.4.
Zie voetnoot 24.
Van den Heuvel 2004, p. 196.
Illustratief daarvoor is dat ze spreekt van een situatie waarin een object wordt gefinancierd dat op het verhaalsmoment nog individualiseerbaar in het vermogen van de koper aanwezig is. De zaak is namelijk geen onderdeel van het vermogen van de koper en zou dat zonder eigendomsvoorbehoud ook niet zijn.
In de Nederlandse literatuur zoekt men vrijwel tevergeefs naar een antwoord op de vraag waarom de verkoper een eigendomsvoorbehoud mag bedingen. Alleen Van den Heuvel stelt de voorrangspositie van de verkoper expliciet aan de orde, omdat de verkoper onder eigendomsvoorbehoud volgens haar niets anders is dan een zekerheidsgerechtigde. Aangezien in haar opvatting elke voorrangspositie in de verhouding tussen schuldeisers onderling een rechtvaardiging behoeft, onderzoekt ze waarin de eventuele rechtvaardiging van de voorrangspositie van de ‘crediteur-eigenaar’ gelegen kan zijn. Ze concludeert enerzijds dat het eigendomsvoorbehoud gerechtvaardigd wordt doordat het krediet dat de verkoper verleent door de koper uitstel van betaling te verlenen, betrekking heeft op de aanschaf van de desbetreffende zaken zelf, zodat er een duidelijke band aanwezig is tussen het krediet en de zekerheid.1 Anderzijds acht Van den Heuvel de ‘supervoorrang’ van de verkoper desondanks niet gerechtvaardigd ten opzichte van de houder van een generiek zekerheidsrecht, namelijk de financierende en monitorende bank.2 Zij verwerpt de motivering van de wetgever, die het eigendomsvoorbehoud onder meer ziet als een instrument waarmee de verkoper zich kan wapenen tegen het zekerheidsrecht van de financierende bank,3 omdat dit zekerheidsrecht volgens haar haar juist door overtuigende argumenten wordt gerechtvaardigd.4 Ten behoeve van de helderheid wordt haar argumentatie hier uitgebreid aangehaald:
“Deze overwegingen gaan in het door mij voorgestane systeem niet op. De zeer sterke voorrangspositie die de bank als gevolg van het generieke zekerheidsrecht inneemt wordt gerechtvaardigd door het belang van de bancaire kredietverlening en de verplichte monitoring van het functioneren van de onderneming. De overige schuldeisers worden beschermd door de zware verantwoordelijkheid van de bank ten aanzien van hun belangen. Dit maakt dat er geen reden is de overige schuldeisers uit het oogpunt van bescherming tegen de vergaande greep van de bank op het vermogen van de onderneming, de bevoegdheid te geven hun verhaalspositie te versterken ten koste van de bank. Bovendien zou de mogelijkheid dat de overige schuldeisers in staat zijn door het gebruik van eigendomsconstructies de zekerheidspositie uit te hollen, ertoe leiden dat de grondslag voor de verantwoordelijkheid van de bank wegvalt. Een laatste argument is dat het feit dat bepaalde crediteuren als gevolg van feitelijke omstandigheden in staat zijn gebruik te maken van de eigendomsconstructie om hun verhaalspositie te versterken eenvoudig zou kunnen leiden tot willekeur in de verhouding tussen schuldeisers onderling. De eigendomsconstructie is immers slechts beschikbaar voor schuldeisers die een bepaald object financieren dat op het verhaalsmoment nog individualiseerbaar in het vermogen aanwezig is. Andere schuldeisers zijn aangewezen op zekerheidsrechten die in rang na het generieke zekerheidsrecht komen. Een reden voor dit verschil zou kunnen zijn dat de betreffende schuldeiser door het leveren en/of financieren van het betreffende object – bijvoorbeeld voorraden of een machine – enige ‘waarde’ heeft toegevoegd aan het vermogen van de onderneming, hetgeen bijdraagt aan het functioneren van de onderneming. Dit is echter op zichzelf onvoldoende. Vrijwel iedere schuldeiser draagt door het door hem verleende krediet en de daaraan gekoppelde prestatie immers bij aan de bedrijfsvoering van de onderneming.” 5
Problematisch aan de opvatting van Van den Heuvel is dat zij ervan uitgaat dat de verkoper door middel van een eigendomsvoorbehoud een zaak buiten het vermogen van de koper houdt, die zonder eigendomsvoorbehoud wel onderdeel van het vermogen van de koper zou zijn.6 Volgens haar heeft het eigendomsvoorbehoud namelijk tot gevolg van de zekerheidspositie van de bank wordt uitgehold en dat de versterkte positie van de verkoper ten koste gaat van de bank.
Daarmee wordt de functie van het eigendomsvoorbehoud, zoals die in het vorige hoofdstuk is omschreven, evenwel miskend. Het bedingen van een eigendomsvoorbehoud door de verkoper leidt tot een beïnvloeding noch uitholling van de zekerheidspositie van de bank die (bij voorbaat) een vuistloos pandrecht heeft gevestigd. Zonder de verschaffing van leverancierskrediet door de verkoper, zou de zaak namelijk evenmin onderdeel van het vermogen van de koper vallen en zou de bank derhalve ook geen zekerheidsrecht hebben kunnen verkrijgen op de zaak. Aangezien de koper leverancierskrediet verlangt, door te bedingen dat de betaling later kan plaatsvinden, is hij klaarblijkelijk niet in staat om de zaak aan te schaffen met het door de bank verschafte krediet. Het zou zich niet goed laten rechtvaardigen dat de kredietverschaffende bank een zekerheidsrecht zou verkrijgen op een zaak die niet door haar, maar juist door een ander is gefinancierd.
Impliciet ligt aan de benadering van Van den Heuvel ten grondslag dat de verkoper zonder een eigendomsvoorbehoud verplicht zou zijn de zaak reeds aan de koper over te dragen zonder dat de koper gelijktijdig zou moeten betalen. In een dergelijk geval zou het overeenkomen van het eigendomsvoorbehoud inderdaad leiden tot een vermindering van de verhaalspositie van de overige schuldeisers van de koper, waaronder de kredietverschaffende bank. Zoals in het vorige hoofdstuk is geïllustreerd, verstrekt de verkoper die een eigendomsvoorbehoud bedingt zijn positie echter niet, maar handhaaft hij slechts zijn positie die hij heeft op grond van het wettelijk uitgangspunt van ‘gelijk oversteken’. Bij gebreke van de mogelijkheid een eigenedomsvoorbehoud te bedingen zou het derhalve veeleer voor de hand liggen dat de verkoper zowel zijn verplichting tot (af)levering alsook de verplichting tot overdracht zou uitstellen tot het moment dat de koper de verschuldigde tegenprestatie zou voldoen. Ook bij strikte naleving van dat wettelijk uitgangspunt, zouden de overige schuldeisers van de koper zich pas op de verkochte zaak kunnen verhalen nadat de koper de koopprijs heeft voldaan.
Deze functie van het eigendomsvoorbehoud in de relatie tussen verkoper en koper – het handhaven van de regel van ‘gelijk oversteken’ – biedt ook de aanzet tot de verklaring voor de rechtvaardiging van het eigendomsvoorbehoud in de verhouding tot de overige schuldeisers van de koper.