Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.7.2
2.7.2 Beoordeling van afwijzing getuigenverzoek
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitvoeriger § 3.1 en 3.4 van hoofdstuk 5.
Zie bijvoorbeeld HR 29 september 1998, NJ 1999, 74. De Hoge Raad meende dat voldoende inspanningen waren gedaan om de getuige voor ondervraging ter beschikking te stellen (r.o. 5.5) en paste vervolgens het criterium toe dat voldoende steun moest worden gevonden voor de betrokkenheid van de verdachte (r.o. 5.7). In onderdelen 14-16 van zijn conclusie bij HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0690 was AG Vellinga overigens van opvatting dat geen steunbewijs hoefde te worden gevonden, omdat het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid niet te wijten was aan gebrek aan inspanningen van de autoriteiten. De getuige was onvindbaar. Vellinga meende dat dit geval op één lijn mocht worden geplaatst met het geval waarin de wel verschenen getuige zich op zijn verschoningsrecht had beroepen. Volgens de toen geldende jurisprudentie van de Hoge Raad was in dat geval geen steunbewijs vereist. Zie daarover § 3.5.2 van hoofdstuk 4.
Wanneer de Hoge Raad een klacht met betrekking tot de afwijzing van een getuigenverzoek gegrond acht, is meestal een onjuiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van het verzoek of is de toepassing van de juiste maatstaf in de ogen van de Hoge Raad onbegrijpelijk. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid zijn onder meer de feiten en omstandigheden van de zaak, de onderbouwing van het getuigenverzoek en de motivering van de afwijzing door de rechter van belang.1 Vertaald naar ehrm-terminologie onderzoekt de Hoge Raad of een goede reden heeft bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Wanneer de Hoge Raad een goede reden aanneemt, kan een klacht over het gebruik van de verklaring van de niet door de verdediging ondervraagde getuige voor het bewijs nog wel succesvol zijn.2